Schadevergoeding, geluidniveaus kartbaan, mestbewerking en procedurele aspecten

In deze bijdrage wordt ingegaan op jurisprudentie waaruit volgt dat het ten onrechte eisen van een MER kan leiden tot een schadevergoedingsplicht voor het bevoegd gezag. Ook wordt ingegaan op de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van twee activiteiten. Tenslotte wordt ook aandacht geschonken aan opvallende uitspraken over enkele procedurele aspecten.

Schadevergoeding bij ten onrechte eisen van een MER

In haar uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:224, heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over of een initiatiefnemer recht heeft op schadevergoeding, als het bevoegd gezag aanvankelijk een MER eist, maar daar later op terugkomt. Als vaststaat dat het rechtens juist is dat uiteindelijk geen MER is geëist én de initiatiefnemer kan aantonen dat hij door het aanvankelijke besluit schade heeft geleden, komt die schade voor vergoeding in aanmerking. In dit geval wordt het bevoegd gezag verplicht tot betaling van € 18.945,24. Door het aanvankelijk eisen van een MER heeft de revisievergunningverlening langer op zich heeft laten wachten. Dit zorgde ervoor dat de onderliggende vergunning was vervallen. Daardoor kon de initiatiefnemer niet meer terugvallen op vergunde rechten en moesten voor het verkrijgen van de vergunning extra kostbare voorzieningen worden getroffen. Het bevoegd gezag had nog gesteld dat de bepaling ingevolge waarvan uiterlijk zes weken na de aanvraag een beslissing moet worden genomen over de vraag of een MER moet worden gemaakt (het huidige artikel 7.17 lid 1 Wm), niet strekt tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de initiatiefnemer. Het relativiteitsvereiste zou zich verzetten tegen inwilliging van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling gaat daar niet in mee. De in artikel 7.17 lid 1 Wm vervatte norm strekt tot het tijdig en correct beslissen of een MER moet worden gemaakt en beoogt daarmee onder meer het (bedrijfs-)belang van de aanvrager om milieuvergunning te waarborgen.

Wijziging maximale geluidsniveaus kartcircuit en mestbewerking

De uitspraak AbRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3949, ziet op het wijzigen van een milieuvergunning voor een kartcircuit. De wijziging behelst een wijziging van de maximale geluidniveaus. Appellanten stellen dat die wijziging kan leiden tot een toename van milieuhinder. Zij menen dat er een verplichting bestaat tot het verrichten van een m.e.r.-beoordeling op grond van onderdeel D-43 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.  Dit onderdeel ziet op de activiteit aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen. De Afdeling vindt dat de wijziging van een vergunningvoorschrift voor de maximale geluidsniveaus geen andere activiteiten mogelijk maakt dan waarvoor eerder vergunning is verleend. Van een wijziging in de zin van onderdeel D-43 is volgens de Afdeling dan ook geen sprake. Er hoeft dan ook geen m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.

In de vorige afleveringen van deze jurisprudentierubriek is ingegaan op het autonome afvalstoffenbegrip in de m.e.r.-regelgeving. De geschetste lijn in de jurisprudentie leek te zijn dat wanneer mestbe- en verwerking als een vorm van nuttige toepassing van afvalstoffen kan worden gezien, er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat op grondslag van onder meer onderdeel D-18.1. Als evenwel door een appellant wordt gesteld dat ook bij nuttige toepassing sprake is van de verwijdering van afval in onderdeel D-18.1, dan leek de Afdeling daarin mee te gaan vanwege het autonome afvalstoffenbegrip in de m.e.r.-regelgeving. Dat lijkt ons de juiste weg vanwege de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie daarvoor de jurisprudentierubriek in de vorige aflevering in dit tijdschrift). Het is dan ook verrassend dat de (voorzieningenrechter van de) Afdeling in een tweetal uitspraken in absolute zin heeft geoordeeld dat de activiteit mestbewerking niet is vermeld in kolom 1 van onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en aldus in zoverre nooit heeft te gelden als een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit. Zie Vzr. AbRvS 18 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4016 en AbRvS 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2744. Ons lijkt dit oordeel niet te rijmen met het gegeven dat mest een afvalstof kan zijn en bij een ver- of bewerking daarvan (ongeacht of daarvan sprake is van een nuttig toepassing) een m.e.r.-(beoordelings)plicht kan bestaan op grond van onder meer de onderdelen D-18.1 of D-18.7.


Procedurele aspecten; wijzigen activiteit en eis verplicht indienen zienswijze

Het komt nogal eens voor dat een voorgenomen activiteit gedurende de besluitvormingsprocedure wijzigt. Een gevolg kan zijn dat de in reikwijdte- en detailniveaunotitie beschreven activiteit afwijkt van de activiteit waarvoor uiteindelijk een besluit wordt gevraagd. Dat is geen beletsel om het besluit te kunnen nemen, mits in het MER maar een beschrijving is gegeven van de milieueffecten van de in het besluit toegestane activiteit. Het is daarnaast niet nodig om in het MER in te gaan op het verschil in milieugevolgen tussen de toegestane activiteit en de eerder beschreven activiteit. Dit volgt uit AbRvS 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3238.

In procedureel opzicht is de uitspraak AbRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3703, eveneens interessant. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op het arrest HvJ EU 15 oktober 2015, C-137/14. Het Hof heeft in dit arrest verklaard dat Duitsland de verplichtingen uit artikel 11 m.e.r.-richtlijn niet is nagekomen door de procesbevoegdheid en de omvang van de rechterlijke toetsing te beperken tot bezwaren die zijn aangevoerd binnen de eerdere bezwaarprocedure. De Afdeling geeft aan dat het oordeel van het Hof niet raakt aan de bevoegdheid van een lidstaat om aan het recht van beroep de voorwaarde te verbinden dat tijdens de besluitvormingsprocedure zienswijzen naar voren worden gebracht. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Awb is volgens de Afdeling niet strijdig met het Europese recht. Dat is een belangrijke conclusie, aangezien op de voorbereiding van een m.e.r.-plichtig besluit afdeling 3.4 Awb van toepassing is (artikel 7.35 lid 4 Wm). Overigens volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het is toegestaan om eerst in beroep een m.e.r.-grief naar voren te brengen die niet reeds in de zienswijze naar voren is gebracht. Zie bijvoorbeeld AbRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2394 en 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2394. In een eerdere uitspraak heeft de Afdeling daarbij overwogen dat nu een m.e.r.-grief geen betrekking heeft op een besluitonderdeel, artikel 6:13 Awb daaraan niet in de weg staat. Zie AbRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1828.



Voor een printversie van deze publicatie klik hier