Niet iedere wijziging is een wijziging in de zin van het Besluit m.e.r.; Hanteren drempelwaarde verwaarloosbare toename stikstofdepositie is in Nbw 1998-vergunningspoor niet toelaatbaar

In deze katern wordt ingegaan op jurisprudentie over categorie D11.3 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) en D22.3 (wijziging of uitbreiding kerncentrale en andere kernreactoren, met inbegrip van de buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren). Duidelijk wordt dat niet iedere wijziging als een wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. wordt gezien. Verder wordt aandacht geschonken aan de jurisprudentie waaruit volgt dat het hanteren van een absolute stikstofdepositiedrempelwaarde in het Nbw 1998-vergunningspoor niet toelaatbaar is.

Bestemmingsplan met verruimde bouwmogelijkheden op een industrieterrein impliceert niet dat er sprake is van een plan dat voorziet in een wijziging van een industrieterrein in de zin van het Besluit m.e.r.

In D11.3 van het Besluit m.e.r. is als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Daarbij geldt een drempelwaarde van 75 hectare. In onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r is aangegeven dat de term wijziging mede ziet op een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichting. In de uitspraak over het Hardenwijkse bestemmingsplan “Lorentz I en II 2013” (ABRS 23 april 2014, nr. 201307589/1/R2) wordt duidelijk dat niet iedere wijziging van een industrieterrein onder de m.e.r.-(beoordelings)plicht valt. Het betreffende bestemmingsplan voorziet in een overwegend conserverende bestemming voor het bestaande industrieterrein met een netto-oppervlakte van 130 hectare. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is bij recht de bouwhoogte verhoogd. Verder is in het bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid om door middel van een afwijkingsprocedure het bebouwingspercentage te vergroten. De Afdeling oordeelt dat de verruimde bebouwingsmogelijkheden zodanig ondergeschikt zijn dat in dit geval van een wijzing van een industrieterrein als bedoeld in het Besluit m.e.r. geen sprake is en er derhalve geen m.e.r.-beoordelingsplicht bestond. De Afdeling kent daarbij betekenis toe aan het gegeven dat de opzet en de vormgeving van het industrieterrein door de nieuwe bebouwingsmogelijkheden nauwelijks zullen wijzigen. In de praktijk zal waarschijnlijk nogal eens discussie gaan ontstaan over dit nieuwe “opzet en vormgeving”-criterium dat naar wij logischerwijs aannemen relevant is voor alle categorieën activiteiten in het Besluit m.e.r. waarin in kolom 1 wordt gesproken over de “wijziging”. Van een gewijzigde opzet en vormgeving lijkt in ieder geval sprake te zijn wanneer in een nieuw bestemmingsplan voor een (deels) bestaand recreatiepark de mogelijkheid wordt geschapen om bestaande mobiele kampeervoertuigen, stacaravans en zomerhuisjes te vervangen door grotere chalets en recreatiewoningen. Dat lijkt te kunnen worden afgeleid uit de uitspraak ABRS 26 juni 2013, nr. 201207945/1/R2.

Wijziging Kernenergiewetvergunning Borssele uitsluitend bestaande uit actualisatie Veiligheidsrapport impliceert geen wijziging in de zin van Besluit m.e.r.

In ABRS 19 februari 2014, nr. 201303313/1/A4, oordeelt de Afdeling over een wijziging van de Kernenergiewetvergunning voor de kernenergiecentrale Borssele. De wijziging ziet uitsluitend op de actualisatie van het Veiligheidsrapport en biedt geen basis om feitelijke wijzigingen in de kerncentrale door te voeren. Dat het nieuwe Veiligheidsrapport impliceert dat de ontwerpbedrijfsduur van de kernenergiecentrale van 40 naar 60 jaar gaat en dat zulks er in de toekomst toe leidt dat componenten van de kerncentrale moeten worden vervangen, maakt dat volgens de Afdeling niet anders. Aangezien de vergunning niet ziet op een fysieke wijziging is er geen sprake van een wijzing van een inrichting in de zin van D22.3 van het Besluit m.e.r. De Afdeling concludeert daarom dat er ingevolge het Besluit m.e.r. geen verplichting bestond om voor de wijzigingsvergunning een m.e.r.-beoordeling te verrichten.

De overwegingen van de Afdeling maken duidelijk dat het in het Besluit m.e.r. veelvuldig gehanteerde begrip “wijzing” van een inrichting uitsluitend ziet op de situatie waarin een vergunning het mogelijk maakt dat er feitelijke wijzigingen binnen de inrichting plaats kunnen vinden. De Afdeling lijkt zich bij haar oordeelsvorming te laten inspireren door de m.e.r.-richtlijn. Uit HvJ EU 17 maart 2011, zaaknr. C-275/09, en HvJ EU 19 april 2012, zaaknr. C-121/11, volgt dat van een project in de zin van de m.e.r.-richtlijn alleen sprake is indien het gaat om werken of ingrepen die de materiële toestand van de plaats veranderen. Onder verwijzing naar deze jurisprudentie heeft de Afdeling eerder in ABRS 27 juni 2012, nr. 201101874/1/A4, geoordeeld dat bijvoorbeeld een vergunning waarbij het gebruik van een bestaand spoor wordt geïntensiveerd geen project betreft in de zin van de m.e.r.-richtlijn. Er bestaat voor zo’n vergunning daarom geen Europese verplichting om een m.e.r.(-beoordeling) te verrichten.

Toepassen drempelwaarde van 0,051 stikstofdepositie mol/ha/jr waar beneden stikdepositie geacht wordt geen effect te hebben, is in het artikel 19d Nbw 1998-vergunningspoor niet toegestaan

In ABRS 19 juni 2013, nrs. 201200593/1/R2, 201205887/1/R2, 201300402/1/R2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld over de depositiebank die is ingesteld bij de Verordening stikstof en Natura 2000 van de provincie Noord-Brabant. In het kader van de vulling van de depositiebank is een ondergrens van 0,051 mol/ha/jr stikstofdepositie gehanteerd. Stikstofdeposities kleiner dan 0,051 mol/ha/jr worden dientengevolge niet aan een ecologische toetsing onderworpen. De Afdeling accordeert deze handelwijze. In de uitspraak ABRS 9 april 2014, nr. 201301225/1/R2, maakt de Afdeling evenwel duidelijk dat deze grens niet ook mag worden toegepast in het Nbw 1998-vergunningspoor. In de desbetreffende casus is berekend dat er sprake is van de toename van 0,03 en 0,04 mol stikstof ha/jr op twee meetpunten binnen het Natura 2000-gebied. Opmerkelijk is dat de Afdeling zelf ingaat op de ecologische betekenis van die beperkte stikstofdepositietoename. De Afdeling oordeelt dat die toename zeer gering is en circa vier duizendste deel van een procent van de kritische depositiewaarden van het desbetreffende habitattype betreft. Om die reden was het gerechtvaardigd dat GS van Zuid-Holland hebben geconcludeerd dat de verleende Nbw 1998-vergunning niet zal leiden tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. De overwegingen van de Afdeling maken duidelijk dat in het Nbw 1998-vergunningspoor dan wel niet mag worden uitgegaan van een absolute ondergrens van 0,051 N mol/ha/jr, maar dat onder die grens blijvende stikstofdepositiebijdragen in beginsel met een eenvoudige algemene argumentatie kunnen worden “weg geredeneerd”.


Voor een printversie van deze publicatie klik hier