Annotatie AbRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3557, M en R 2016/14

Essentie

Een Stichting die opkomt voor een milieubelang kan het relativiteitsvereiste niet worden tegengeworpen wanneer een beroep wordt gedaan op de ondeugdelijkheid van een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Daarbij kan een beroep worden gedaan op alle aspecten waarmee bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden, rekening moet worden gehouden. Dit betekent dat de Stichting onder meer kan aanvoeren dat de gevolgen van de verhoogde ammoniakemissie van de inrichting voor het Natura 2000-gebied niet voldoende zijn beoordeeld. Daaraan doet niet af dat de Stichting niet opkomt voor bescherming van Natura 2000-gebieden.

Samenvatting

Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, waarin de wettelijke regeling van het milieueffectrapport is vastgelegd, strekt tot bescherming van het milieu. Het belang dat de Stichting behartigt betreft onder meer de bescherming van het milieu in het LOG-gebied waarin de inrichting is gelegen. In dit kader kan de Stichting zich erop beroepen dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Daarbij kan de Stichting een beroep doen op alle aspecten waarmee bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden, rekening moet worden gehouden. Dit betekent dat de Stichting onder meer kan aanvoeren dat de gevolgen van de verhoogde ammoniakemissie van de inrichting voor het Natura 2000-gebied niet voldoende zijn beoordeeld. Het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, stond daarom niet in de weg aan de vernietiging van het besluit van 12 augustus 2013 vanwege het slagen van het betoog van de Stichting.

Wanneer zoals in dit geval sprake is van een uitbreiding van een installatie als genoemd in onderdeel D, onder D 14, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage dienen voor de beoordeling of een activiteit vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de gevolgen van de inrichting in de aangevraagde situatie vergeleken te worden met de gevolgen van de inrichting in de reeds vergunde situatie voorafgaand aan de verlening van de vergunning. De rechtbank is daarom terecht, zij het op andere gronden, tot de conclusie gekomen dat het college ten onrechte bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden in verband met het in de omgeving van de inrichting gelegen Natura 2000-gebied de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie heeft vergeleken met de ammoniakemissie in de vergunde situatie op 7 december 2004 in plaats van met de ammoniakemissie in de vergunde situatie voorafgaand aan het verlenen van de vergunning van 12 augustus 2013. Ten opzichte van de reeds vergunde situatie voorafgaand aan het verlenen van de vergunning van 12 augustus 2013 neemt de ammoniakemissie van de inrichting toe. Nu het college hier geen rekening mee heeft gehouden is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de beoordeling dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, niet voldoet.

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 december 2014 in zaak nr. 13/4559 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [appellant] voor een varkenshouderij en wormenkwekerij aan de [locatie] te Hulsel.

Bij uitspraak van 29 december 2014 heeft de rechtbank het door Stichting Megastallen Nee Lage Mierden (hierna: de Stichting) hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de Stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2015, waar [appellant], in persoon, en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en ing. C.A. Janssen, en het college, vertegenwoordigd door N. Ansems en J. van der Heijden, zijn verschenen.


Overwegingen

Situatie

1. [appellant] drijft een varkenshouderij en wormenkwekerij aan de [locatie] te Hulsel. Bij besluit van 12 augustus 2013 is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor de uitbreiding van de varkenshouderij met een nieuwe stal voor 2.928 vleesvarkens. Tegen de verlening van deze vergunning heeft de Stichting beroep ingesteld bij de rechtbank.

Beroepsgronden

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in vergunningvoorschrift 5.1.2 in strijd met artikel 2.14, eerste lid, onder a, sub 5, van de Wabo een geluidgrenswaarde van 61 dB(A) is gesteld voor alle activiteiten die in de inrichting plaatsvinden. Volgens [appellant] is in vergunningvoorschrift 5.1.2, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, voor de nachtperiode niet meer geluidruimte vergund dan is aangevraagd. [appellant] stelt zich in dit verband op het standpunt dat de gestelde geluidgrenswaarde van 61 dB(A) voor het maximale geluidniveau weliswaar voor alle activiteiten die in de inrichting plaatsvinden geldt, maar alleen vanwege het afvoeren van varkens een hogere geluidbelasting dan 60 dB(A) op mag treden. [appellant] wijst er hiertoe op dat behalve voor het verladen en afvoeren van varkens geen vergunning is gevraagd voor activiteiten die wat betreft het maximale geluidniveau in de nachtperiode op de dichtstbijzijnde woningen een geluidbelasting van meer dan 60 dB(A) veroorzaken.

2.1. In vergunningvoorschrift 5.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen niet meer mag bedragen dan 61 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren tussen 23.00 en 07.00 uur.

In vergunningvoorschrift 5.1.5 is bepaald dat van de in voorschrift 5.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de volgende activiteit mag worden afgeweken:

- tijdens het maximaal 1 maal per week ophalen van varkens in de nachtperiode, mag het maximale geluidniveau op de woning Heikant 3 niet meer bedragen dan 61 dB(A) op een hoogte van 5 meter.

2.2. Uit het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport van 7 juni 2012 blijkt dat wat betreft de maximale geluidbelasting in de nachtperiode behalve wanneer varkens worden opgehaald kan worden voldaan aan een geluidgrenswaarde van 60 dB(A). Uit vergunningvoorschrift 5.1.5 in combinatie met vergunningvoorschrift 5.1.2 blijkt dat het college heeft beoogd alleen voor het ophalen van varkens een geluidgrenswaarde te stellen van 61 dB(A), omdat wanneer voor alle activiteiten een geluidgrenswaarde zou gelden van 61 dB(A) de in vergunningvoorschrift 5.1.5 opgenomen uitzondering overbodig zou zijn. Het college heeft door in vergunningvoorschrift 5.1.2 een geluidgrenswaarde te stellen van 61 dB(A) voor alle activiteiten die in de inrichting plaatsvinden het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld, zij het op andere gronden, dat in vergunningvoorschrift 5.1.2 ten onrechte een grenswaarde is opgenomen van 61 dB(A) voor alle activiteiten die plaats vinden in de inrichting.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de beoordeling dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld vanwege de gevolgen van de inrichting voor het in de omgeving gelegen Natura 2000-gebied niet voldoet, en dat het besluit van 12 augustus 2013 daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

[appellant] voert hiertoe primair aan dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat het betoog van de Stichting dat de milieueffectbeoordeling niet voldoet omdat de gevolgen van de verhoogde ammoniakemissie van de inrichting voor het Natura 2000-gebied Kempenland (hierna: het Natura 2000-gebeid), waartoe onder meer de natuurgebieden Mispeleindsche en Neterselsche Heide behoren, niet voldoende zijn beoordeeld, leidt tot vernietiging van het besluit van 12 augustus 2013. In dit verband wijst hij erop dat het statutaire doel van de Stichting alleen betrekking heeft op activiteiten binnen het Landbouw Ontwikkelings Gebied Hulsel Bladel (hierna: het LOG gebied). Hieruit volgt volgens [appellant] dat het Natura 2000-gebied, dat ver buiten het LOG-gebied is gelegen, niet tot het te beschermen belang van de stichting behoort.

Subsidiair voert [appellant] hiertoe aan dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat voor de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld van belang is of een vergunning verleend kan worden op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw). Volgens [appellant] is er geen bijzondere omstandigheid die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maakt nu de beste beschikbare technieken worden toegepast en de aanvraag in overeenstemming is met relevante wet en regelgeving. Daarnaast wijst [appellant] erop dat in artikel 47, tweede lid, van de Nbw een ontkoppeling tussen een vergunning krachtens de Nbw en een omgevingsvergunning is opgenomen.

Meer subsidiair voert [appellant] aan dat voor zover al van belang is of een vergunning krachtens de Nbw kan worden verleend, alleen aannemelijk gemaakt dient te worden dat deze kan worden verleend.

3.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II 2009-2010, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

3.2. In de statuten van de Stichting is het volgende opgemerkt: "De stichting heeft ten doel: Het beschermen van de leefbaarheid, de gezondheid van mensen, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, bodem en het water, de natuur en het agrarische landschap binnen het LOG gebied in de meest ruime zin alsmede het voorkomen van de verrommeling van het landschap en voorts al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn in de ruimste zin van het woord, dit mede door diegene die verantwoordelijk is voor die schade (te) bewegen tot adequate herstel- casu quo reparatiemogelijkheden."

3.3. Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, waarin de wettelijke regeling van het milieueffectrapport is vastgelegd, strekt tot bescherming van het milieu. Het belang dat de Stichting behartigt betreft onder meer de bescherming van het milieu in het LOG-gebied waarin de inrichting is gelegen. In dit kader kan de Stichting zich erop beroepen dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Daarbij kan de Stichting een beroep doen op alle aspecten waarmee bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden, rekening moet worden gehouden. Dit betekent dat de Stichting onder meer kan aanvoeren dat de gevolgen van de verhoogde ammoniakemissie van de inrichting voor het Natura 2000-gebied niet voldoende zijn beoordeeld. Het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, stond daarom niet in de weg aan de vernietiging van het besluit van 12 augustus 2013 vanwege het slagen van het betoog van de Stichting.

3.4. In het besluit van 12 augustus 2013 wordt wat betreft de beoordeling dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld verwezen naar het besluit van 19 augustus 2011. Bij dit besluit heeft het college aan de hand van de door [appellant] overgelegde beoordelingsnotitie van 28 maart 2011 bepaald dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Bij dit besluit heeft het college onder meer betrokken dat de ammoniakbelasting op het Natura 2000-gebied afneemt ten opzichte van het bestaande gebruik op 7 december 2004. Dit is volgens het college wat betreft de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied de te hanteren toetsdatum.

3.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van de Stichting dat in de milieueffectrapportbeoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de toename van de ammoniakemissie op het Natura 2000-gebied slaagt.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college bij de beoordeling dat geen milieueffectrapport opgesteld dient te worden ten onrechte de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie heeft vergeleken met de ammoniakemissie in de vergunde situatie op 7 december 2004 in plaats van de vergunde situatie voorafgaand aan de verlening van de vergunning. Uit de uitspraak volgt dat de rechtbank dit onder meer heeft overwogen omdat uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr. 201211640/1/R2 blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of een vergunning krachtens de Nbw leidt tot een toename van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied een vergelijking gemaakt dient te worden tussen de ammoniakdepositie vanwege de inrichting in de aangevraagde situatie en de laagste ammoniakdepositie vanaf 7 december 2004 en het gegeven dat de ammoniakdepositie vanwege de inrichting in de vergunde situatie voorafgaand aan het verlenen van de vergunning bij het besluit van 12 augustus 2013 het laagst was.

3.6. Wanneer zoals in dit geval sprake is van een uitbreiding van een installatie als genoemd in onderdeel D, onder D 14, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage dienen voor de beoordeling of een activiteit vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de gevolgen van de inrichting in de aangevraagde situatie vergeleken te worden met de gevolgen van de inrichting in de reeds vergunde situatie voorafgaand aan de verlening van de vergunning. De rechtbank is daarom terecht, zij het op andere gronden, tot de conclusie gekomen dat het college ten onrechte bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden in verband met het in de omgeving van de inrichting gelegen Natura 2000-gebied de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie heeft vergeleken met de ammoniakemissie in de vergunde situatie op 7 december 2004 in plaats van met de ammoniakemissie in de vergunde situatie voorafgaand aan het verlenen van de vergunning van 12 augustus 2013. Ten opzichte van de reeds vergunde situatie voorafgaand aan het verlenen van de vergunning van 12 augustus 2013 neemt de ammoniakemissie van de inrichting toe. Nu het college hier geen rekening mee heeft gehouden is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de beoordeling dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, niet voldoet. Hetgeen van [appellant] voor het overige heeft aangevoerd over het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld niet voldoet, behoeft daarom geen bespreking.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen bestuurlijke lus heeft toegepast wat betreft het geconstateerde gebrek in de beoordeling dat geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden en dat de rechtbank in samenhang hiermee ten onrechte niet heeft besloten dat het geconstateerde gebrek in vergunningvoorschrift 5.1.2 ook hersteld kan worden dan wel in zoverre zelf in de zaak te voorzien. In dit verband wijst [appellant] erop dat de rechtbank heeft miskend dat door externe saldering de toename van de ammoniakdepositie teniet kan worden gedaan.

4.1. De ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een bestuurlijke lus toe te passen is discretionair van aard. De rechtbank heeft in de uitspraak gemotiveerd waarom niet wordt overgegaan tot het toepassen van een bestuurlijke lus. Hetgeen Van [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen bestuurlijke lus toe te passen en niet wat betreft het geconstateerde gebrek in vergunningvoorschrift 5.1.2 zelf in de zaak te voorzien.

Het betoog faalt.

In stand laten rechtsgevolgen

5. Dat de hiervoor weergegeven betogen falen neemt niet weg dat in hetgeen ter zitting door het college is opgemerkt ten aanzien van de boordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden, aanleiding kan worden gevonden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Ter zitting heeft het college gesteld dat ondanks dat de ammoniakemissie van de inrichting toeneemt ten opzichte van de reeds vergunde situatie er geen aanleiding is om een milieueffectrapport op te stellen. Het college heeft er daarbij op gewezen dat wat betreft het toegepaste stalsysteem de beste beschikbare technieken worden toegepast op grond van de verleende vergunning. Dit betekent dat een luchtwasser wordt toegepast ten gevolge waarvan de ammoniakemissie, de geuremissie en de fijnstofemissie worden gereduceerd. Daarnaast voldoet de uitbreiding van de inrichting aan de eisen die worden gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij en in de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Het college heeft ter zitting deugdelijk gemotiveerd dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het nieuwe besluit op de aanvraag dat het college zal dienen te nemen, zal met deze motivering in zoverre slechts kunnen strekken tot verlening van de aangevraagde vergunning. De Afdeling ziet daarin aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 augustus 2013 in stand blijven, behalve voor zover in vergunningvoorschrift 5.1.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau in de nachtperiode niet meer mag bedragen dan 61 dB(A). De Afdeling zal op dit punt zelf in de zaak voorzien.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover de rechtbank daarbij het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit van 12 augustus 2013 heeft vernietigd. De Afdeling ziet evenwel, gelet op hetgeen onder 5 is vermeld, in hoger beroep alsnog aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, behalve voor zover in vergunningvoorschrift 5.1.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau in de nachtperiode niet meer mag bedragen dan 61 dB(A). Het geconstateerde gebrek in dit vergunningvoorschrift kan worden hersteld door in dit voorschrift te bepalen dat het maximale geluidniveau in de nachtperiode niet meer mag bedragen 60 dB(A). De Afdeling zal zelf voorziend dit voorschrift aanpassen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat er geen plaats meer is voor het oordeel van de rechtbank voor zover daarbij is bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 december 2015 in zaak nr. 13/4559, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 12 augustus 2013, kenmerk REU 2012-0097-OV, is vernietigd;

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behalve voor zover in vergunningvoorschrift 5.1.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen niet meer mag bedragen 61 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren tussen 23.00 en 07.00 uur;

III. bepaalt dat voorschrift 5.1.2 van de bij het besluit van 12 augustus 2013 verleende omgevingsvergunning wat betreft het maximale geluidniveau in de nachtperiode als volgt komt te luiden: "Het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, mag ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen van derden niet meer bedragen dan 60 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur."

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

[…]


Annotatie M.A.A. Soppe

1.         In punt 4 van mijn annotatie bij  de uitspraak Rb. Oost-Brabant 2 juni 2015, M en R 2015/121, heb ik de vraag gesteld of de bestuursrechter al dan niet alleen die onderdelen van de m.e.r.-beoordeling inhoudelijk mag beoordelen die zien op regelgeving waarop een rechtstreeks beroep door een eiser/appellant niet door het relativiteitsvereiste wordt belet. Ik heb die vraag ontkennend beantwoord. In de onderhavige uitspraak oordeelt de Afdeling dienovereenkomstig.

2.         I.c. is door de Stichting Megastallen Nee Lage Mierden (hierna: de Stichting) beroep bij de rechtbank ingesteld tegen een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een varkenshouderij en wormenkwekerij met een nieuwe stal voor 2.928 vleesvarkens. De Stichting ageerde onder meer tegen de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, inhoudende dat er geen MER nodig was. Volgens de Stichting was die uitkomst rechtens niet houdbaar nu in de m.e.r.-beoordeling onvoldoende rekening was gehouden met de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied Kempenland. De rechtbank achtte die grief gegrond. Daartegen komt de vergunninghouder in hoger beroep op. Volgens hem heeft de rechtbank in strijd met het in art. 8:69a Awb neergelegde relativiteitsvereiste gehandeld. De vergunninghouder stelt daartoe dat het belang van de bescherming van het Natura 2000-gebied Kempenland niet strekt tot bescherming van het belang van de Stichting. Het belang van de Stichting is onder meer de bescherming van het milieu in het LOG-gebied Hulsel Bladel, waarbinnen de vergunde inrichting is gelegen. Het Natura 2000-gebied Kempenland ligt daar ver buiten. De Afdeling overweegt dat hoofdstuk 7 Wm, waarin de m.e.r.-regeling is verankerd, strekt tot bescherming van het milieu. Het belang van de Stichting betreft het milieubelang binnen het LOG-gebied. De Afdeling oordeelt om die reden dat de aan de orde zijnde beroepsgrond van de Stichting niet afstuit op het relativiteitsvereiste. Zie voor vergelijkbare uitspraken ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:50, JM 2015/40 en ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, JM 2015/23, TBR 2015/113. Aanvullend op die uitspraken overweegt de Afdeling in deze uitspraak expliciet dat de Stichting een beroep kan doen op alle aspecten waarmee bij de beoordeling of een MER opgesteld dient te worden, rekening moet worden gehouden. Daartoe behoort ook het belang van de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dat ik mij goed in de toetsingswijze van de Afdeling kan vinden, blijkt uit punt 4 van mijn annotatie bij de uitspraak Rb. Oost-Brabant 2 juni 2015. In dat kader heb ik overigens wel opgemerkt dat een beroep van een partij als de Stichting er uiteindelijk toe kan leiden dat er een MER wordt gemaakt, maar dat er vervolgens in rechte niet veel meer kan worden bereikt waar het gaat om de bescherming van het Natura 2000-gebied. Als de Stichting zich rechtstreeks zou beroepen op schending van normstelling in de Nbw 1998 ter zake van het Natura 2000-gebied Kempenland, zou zij het relativiteitsvereiste wel tegengeworpen krijgen. Zie in dat kader ABRvS 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2570 (r.o. 3.1-3.3).

3.         De Afdeling overweegt in deze uitspraak dat in het kader van een m.e.r.-beoordeling voor een uitbreiding van een inrichting, er wat betreft de eventueel te verwachten belangrijke nadelige milieugevolgen een vergelijking moet worden gemaakt tussen de aangevraagde situatie die heeft geleid tot de vergunning en de vergunde situatie voorafgaand aan de nieuwe vergunning. Dat geldt ook voor de eventuele ammoniakdepositiegevolgen op een Natura 2000-gebied. Het referentiekader in de m.e.r.-beoordeling kan onder omstandigheden derhalve een andere zijn dan het referentiekader zoals dat geldt voor de vergunningverlening ex artikel 19d Nbw 1998. Dit door de rechtbank miskende gegeven, is voor de praktijk iets om bedacht op te zijn.

M.A.A. Soppe


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.