Annotatie AbRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555, M en R 2014/79

Essentie

Co-vergistingsinstallatie wordt niet begrepen onder de categorieën D-18.4 (rioolwaterzuiveringsinstallatie), D-21.6 (geïntegreerde chemische installatie bestemd voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen) en D-22.1 (industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer) van het Besluit milieueffectrapportage; vanwege deze categorieën in onderdeel D bestaat er voor de co-vergistingsinstallatie evenmin een verplichting om aan de hand van de selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn te bepalen of er toch een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. De Afdeling toetst enkel aan de door appellant aangevoerde categorieën in het Besluit m.e.r. en toetst niet eigener beweging aan andere categorieën.

Samenvatting

De inrichting waarvoor vergunning is verleend betreft een installatie waarin een mengsel van dierlijke mest en co-substraten wordt vergist. Het bij het vergistingsproces ontstane biogas wordt verbrand in een warmtekrachtkoppelingsinstallatie voor de opwekking van elektriciteit en warmte. Gelet hierop kan de inrichting niet worden aangemerkt als een inrichting met een rioolwaterzuiveringsinstallatie als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, noch als een inrichting met een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie 21.6 voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen. De inrichting valt evenmin onder categorie 22.1 reeds omdat zij niet kan worden aangemerkt als een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt of meer. Het betoog dat uit het onder 4 genoemde arrest van het Hof van Justitie volgt dat de drempelwaarden niet bepalend mogen zijn voor de vraag of een MER of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld en het college derhalve had moeten kijken naar de bijzondere factoren of selectiecriteria van bijlage III van Richtlijn 85/337/EEG, faalt, reeds omdat het geen inrichting betreft waarop de drempelwaarde van categorie 22.1 betrekking heeft.



Uitspraak in het geding tussen tussen:


1.         [appellanten sub 1] […]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college aan de stichting Stichting Cleanergy Wanroij (thans Cleanergy B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie aan de Straatscheveld 2 te Wanroij. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld. […]

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het besluit van 6 maart 2012 gewijzigd.

[…]

Overwegingen

[…]

Omvang geding

2. Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton per jaar aan dierlijke mest en co-substraten. Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college de vergunning voor een deel ingetrokken en een aantal vergunningvoorschriften ingetrokken dan wel gewijzigd.

2.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit tot intrekking, wijziging of verandering van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] heeft van rechtswege geen betrekking op het besluit van 4 februari 2013 omdat hij daarbij geen belang heeft.

De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] hebben van rechtswege mede betrekking op het besluit van 4 februari 2013.

HET BEROEP VAN [appellante sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich uitsluitend op de overgangssituatie waarvoor een aantal specifieke vergunningvoorschriften gelden. Hij betoogt dat de duur van de overgangssituatie in de vergunning had moeten worden vastgelegd.

3.1. Met de overgangssituatie wordt bedoeld de situatie waarin de vergunde uitbreidingen nog niet zijn gerealiseerd en de capaciteit van de inrichting is beperkt tot 36.000 ton per jaar aan dierlijke mest en co-substraten. Bij besluit van 4 februari 2013 is de vergunning voor die uitbreidingen ingetrokken en is de capaciteit van de inrichting tot 36.000 ton per jaar beperkt. Een overgangssituatie, als bedoeld in de vergunning, doet zich derhalve niet meer voor. Gelet hierop bestaat geen belang meer bij de beoordeling van het beroep.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

DE BEROEPEN VAN [appellante sub 2] EN [appellant sub 3]

Milieueffectrapportage

4. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is opgesteld dan wel een beoordeling is gemaakt of het opstellen van een MER nodig is (hierna: m.e.r.-beoordeling). De installatie valt volgens hem onder categorie 18.4, 21.6 of 22.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, (www.curia.europa.eu), dat ook wanneer de drempelwaarden uit die bijlage niet worden overschreden, het college had moeten kijken naar de bijzondere factoren of selectiecriteria die zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten (PB 1985 L 175), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement van 23 mei 2009 (PB 2009 L 140), aldus [appellant sub 3].

De stelling dat de inrichting onder categorie 18.2 (oud) valt, heeft [appellant sub 3] ter zitting ingetrokken.

4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 18.4 van dat onderdeel is als activiteit, waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een MER moet worden gemaakt, aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie die deel uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.

In categorie 21.6 is als zodanige activiteit aangewezen: de wijziging of uitbreiding van een geïntegreerde chemische installatie bestemd voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen.

In categorie 22.1 is als zodanige activiteit aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer.

4.2. De inrichting waarvoor vergunning is verleend betreft een een installatie waarin een mengsel van dierlijke mest en co-substraten wordt vergist. Het bij het vergistingsproces ontstane biogas wordt verbrand in een warmtekrachtkoppelingsinstallatie (hierna: WKK) voor de opwekking van elektriciteit en warmte.

Gelet hierop kan de inrichting niet worden aangemerkt als een inrichting met een rioolwaterzuiveringsinstallatie als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, noch als een inrichting met een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie 21.6 voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen. De inrichting valt evenmin onder categorie 22.1 reeds omdat zij niet kan worden aangemerkt als een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt of meer. Het betoog dat uit het onder 4 genoemde arrest van het Hof van Justitie volgt dat de drempelwaarden niet bepalend mogen zijn voor de vraag of een MER of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld en het college derhalve had moeten kijken naar de bijzondere factoren of selectiecriteria van bijlage III van Richtlijn 85/337/EEG, faalt, reeds omdat het geen inrichting betreft waarop de drempelwaarde van categorie 22.1 betrekking heeft.

De beroepsgrond faalt.

[…]

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] tegen de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 maart 2012 en 4 februari 2013 ongegrond;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

[…]


Annotatie M.A.A. Soppe

1.         Deze uitspraak is de moeite van het bespreken waard doordat de Afdeling uitsluitend toetst of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat op basis van de door de desbetreffende appellant genoemde categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De Afdeling concludeert dat die categorieën niet verplichten tot het verrichten van een m.e.r.-(beoordeling) voor een co-vergistingsinstallatie. Niet wordt vervolgens nagegaan of er wellicht andere categorieën in de onderdelen C en/of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn die (mogelijk) wel leiden tot een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De aan de orde zijnde co-vergistingsinstallatie is in ieder geval aan te merken als een installatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen. Zie in dat kader ABRvS 29 januari 2014, zaaknr. 201206964/1/R4, M en R 2014 afl. 3 en Rb. Noord-Nederland 14 januari 2014, ASS AWB 12/451, M en R 2014 afl. 3. De co-vergistingsinstallatie is evenals de in die uitspraken aan de orde zijnde installaties aan te merken als een biomassaenergiecentrale waar gas wordt verbrand. De (uiteindelijk) vergunde capaciteit van de co-vergistingsinstallatie blijft net onder de in C-18.4 opgenomen drempel van 100 ton per dag. Verder is in het geval van een nieuwe vergister D-18.7 niet van toepassing. Als de appellant zich had beroepen op de onderdelen C-18.4 en D-18.7, dan had de Afdeling evenwel geoordeeld dat er nog wel een vergewisplicht resteert. Aldus volgt expliciet uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014. In het kader van de vergewisplicht hadden gedeputeerde staten dienen te beoordelen of er vanwege de selectiecriteria in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn toch sprake zou zijn van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.

2.         Dat de Afdeling niet eigener beweging toetst aan andere grondslagen voor de m.e.r.-(beoordelings)plicht dan die welke door een appellant in beroep expliciet naar voren zijn gebracht, is in lijn met het algehele beeld van de Afdelingsjurisprudentie. De Afdeling vult de rechtsgronden maar zelden zelf aan, niettegenstaande art. 8:69 lid 2 Awb. Ik volsta dienaangaande met een verwijzing naar Tonny Nijmeijer en Marcel Soppe, Alles draait om de eenvoud; De Omgevingswet tussen Haagse bluf en fata morgana?, in: Toon de Gier e.a. [red.], Goed Verdedigbaar, Deventer 2011, pp. 436-438.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.