Annotatie AbRvS 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3841, M en R 2015/37

Essentie

Melkrundveehouderijen worden wat betreft de activiteit milieu uitsluitend gereguleerd via het Activiteitenbesluit milieubeheer voor zover het aantal melkrunderen maximaal 200 voor dieren ouder dan twee jaar dan wel maximaal 340 bedraagt. Er geldt voor die inrichtingen geen verplichting tot het doorlopen van een omgevingsvergunningprocedure beperkte milieutoets (ex art. 2.1 lid 1 sub i Wabo).


Samenvatting

In onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder b van bijlage I bij het Bor, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt en voor zover hier van belang, zijn als categorie vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor aangewezen: inrichtingen voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, met uitzondering van categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer waarop artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. De melkrundveehouderij valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, terwijl artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Artikel 7.18 van de Wet milieubeheer is van toepassing indien het bevoegd gezag heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt of degene die de activiteit wil ondernemen heeft verklaard een milieueffectrapport te zullen maken. Dit doet zich hier niet voor en kan zich ook niet voordoen. Sinds 1 januari 2013 kan voor een inrichting die valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer en die, zoals hier, geen IPPC-installatie omvat en niet valt onder een andere categorie vergunningplichtige inrichtingen, aangewezen in de onderdelen B of C van bijlage I bij het Bor, de in artikel 7.18 van de Wet milieubeheer bedoelde beslissing of verklaring slechts worden verkregen via een eventuele vergunningprocedure op grond van artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor. Het houden van melkrundvee is in artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor echter niet genoemd als activiteit waarvoor een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is vereist. Uit het voorgaande volgt dat de melkrundveehouderij niet vergunningplichtig is op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt.


Uitspraak op het hoger beroep van:


(…)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2013 in zaken nrs. 12/5469 en 12/5470 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant D]

En

het college van burgemeester en wethouders van Heumen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een nieuwe rundveestal, een landbouwloods en een mestopslagsilo op het perceel [locatie] te Overasselt (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college het door [appellant A] en [appellant D] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de motivering van het besluit ten aanzien van het afwijken van het welstandsadvies aangevuld, alsnog omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en het besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant D] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 augustus 2012 vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft [vergunninghouder] hoger beroep ingesteld. [appellant A] en [appellant D] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college opnieuw het door [appellant A] en [appellant D] tegen het besluit van 23 februari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de motivering van het besluit ten aanzien van het afwijken van het welstandsadvies aangevuld, alsnog omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en het besluit voor het overige in stand gelaten.

(…)

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een rundveestal, landbouwloods en mestopslagsilo op het perceel ten behoeve van een melkrundveehouderij.

(…).

7. [appellant A] en [appellant D] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verlenen van omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in strijd is met artikel 2.7 van de Wabo nu tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist. Daartoe voeren zij aan dat niet kon worden volstaan met de ingevolge het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Blm) ingediende melding. Voorts voeren zij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2012 in zaak nr. 201103782/1/A4, aan dat er een mer-beoordelingsplicht bestond zodat een omgevingsvergunning als bedoel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist.

7.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie (IPPC-installatie) behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Ingevolge onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage I bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor aangewezen landbouwinrichtingen waarop het Blm op grond van artikel 3 of 4 van dat besluit niet van toepassing is.

Ingevolge onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, worden, zoals dat luidde ten tijde van belang, als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor aangewezen inrichtingen voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Blm, zoals dat luidde ten tijde van belang, is dit besluit van toepassing op een melkrundveehouderij.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, is het Blm niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien meer dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt meegeteld.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer), worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge categorie 14 van onderdeel D, kolommen 1 en 2, van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is als activiteit aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar.

7.2. Niet in geschil is dat indien wordt geoordeeld dat het onderhavige bouwplan waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is gedaan, tevens een omgevingsvergunningsplichtige activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, dan sprake is van twee onlosmakelijk samenhangende activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.

7.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2013 in zaak nr. 201209737/1/A1) mag, indien een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op één fysieke activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo, uitsluitend een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor elk van die activiteiten gezamenlijk. Indien niet voor alle categorieën omgevingsvergunning is aangevraagd, dient het college de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid te bieden om de aanvraag aan te vullen en indien aanvulling uitblijft, de aanvraag buiten behandeling te stellen.

7.4. Op 18 november 2011 en 19 april 2012 heeft [vergunninghouder] een melding ingevolge het Blm gedaan voor het oprichten van een melkrundveehouderij met 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee. Niet is gebleken dat er meer dieren in de inrichting zullen worden gehouden. Nu er niet meer dan 200 stuks melkrundvee zullen worden gehouden op het perceel en niet gebleken is dat zich één van de uitzonderingen van artikel 4 van dat besluit voordoet, is, gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van dat besluit het Blm van toepassing en is, gelet op artikel 2.1, tweede lid, van het Bor gelezen in verbinding met onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage I bij het Bor, in zoverre geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo vereist.

7.5. Voor de vraag of voor de melkrundveehouderij op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo was vereist, is bepalend of het een inrichting betrof voor een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De aanwijzing van activiteiten krachtens artikel 7.2, eerste lid, heeft plaatsgevonden in het Besluit mer. Vaststaat dat geen sprake is van een inrichting voor een krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen activiteit, nu het houden van melkrundvee niet is genoemd in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer.

Het houden van melkrundvee is wel genoemd in categorie 14 van onderdeel D van die bijlage. Weliswaar overschrijdt het aantal dieren in de melkrundveehouderij de in kolom 2 van die categorie opgenomen drempelwaarde van meer dan 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien niet, maar dat is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een inrichting voor een krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen activiteit als bedoeld in onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor. Sinds de wijziging op 1 april 2011 van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit mer is van een zodanige inrichting ook sprake in de onder b van dat vijfde lid bedoelde gevallen, te weten gevallen waarin de drempelwaarde in kolom 2 niet wordt overschreden, maar op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De Afdeling vindt hiervoor steun in de toelichting bij het Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage), waarbij artikel 2, vijfde lid, van het Besluit mer is gewijzigd. Daarin wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat het met deze wijziging indicatief maken van de drempelwaarden er, in combinatie met onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, toe leidt dat het aantal vergunningplichtige activiteiten toeneemt (nota van toelichting, blz. 35; Stb. 2011, 102).

De Afdeling betrekt hierbij voorts dat met de wijziging van het vijfde lid van artikel 2 van het Besluit mer is beoogd uitvoering te geven aan het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, ECLI:EU:C:2009:630 (www.curia.europa.eu). Uit dit arrest volgt dat het Nederlandse systeem van absolute drempelwaarden voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer niet in overeenstemming was met de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Ook onder die drempelwaarden moet worden bezien of andere criteria uit bijlage III bij die richtlijn nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling vereist hiervoor een vergunningprocedure. De vergunning die hiervoor, in het geval het om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gaat, in het Nederlandse systeem is aangewezen, is de vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo of, in bepaalde gevallen, de vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet, in samenhang gezien met artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor. Als het vijfde lid van artikel 2 van het Besluit mer buiten beschouwing zou worden gelaten bij de afbakening van de vergunningplicht op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zou dit ertoe leiden dat de Nederlandse regeling van de milieueffectrapportage in bepaalde gevallen nog steeds niet in overeenstemming is met de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

7.6. Het college heeft niet onderzocht of op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling kon worden uitgesloten dat de melkrundveehouderij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hierdoor is niet uitgesloten dat voor de melkrundveehouderij op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo was vereist. Het oprichten van de melkrundveestal is daarmee mogelijk zowel een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, als een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo bedoelde activiteit. De desbetreffende activiteiten hangen onlosmakelijk samen, zodat in dat geval de aanvraag ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo ook betrekking zou moeten hebben op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e. De aanvraag ziet echter alleen op het bouwen van onder meer een rundveestal, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a. In dat geval had het college [vergunninghouder] met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, buiten behandeling dienen te stellen. Gelet op het vorenstaande is niet uitgesloten dat het college in strijd met dat artikel de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo heeft verleend. Het besluit van 27 augustus 2012 is in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

8. Het incidenteel hoger beroep is gegrond.

Het besluit van 8 oktober 2013

9. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 8 oktober 2013 opnieuw op de bezwaren van [appellant A] en [appellant D] beslist en de bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

10. Het college heeft bij besluit van 8 oktober 2013 met toepassing van artikel 5.4.3 van de planvoorschriften omgevingsvergunning verleend. Volgens het college wordt er aan de eisen van artikel 5.4.3 van de planvoorschriften voldaan omdat het bouwplan, na wijziging van de aanvraag, ziet op het realiseren van een educatieruimte van 99.1 m² op de eerste verdieping van de melkveestal.

11. Anders dan [vergunninghouder] betoogt, is geen sprake van een te laat ingestelde beroep tegen het besluit van 8 oktober 2013. Daartoe wordt overwogen dat, nu niet gebleken is dat daarbij onvoldoende belang bestaat, tegen het besluit van 8 oktober 2013 van rechtswege een beroep van [appellant A] en [appellant D] is ontstaan waarbij de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van beroepschrift niet van toepassing is.

12. [appellant D] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen beroepsgronden gericht tegen het besluit van 8 oktober 2013 ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat hij geen bezwaren heeft tegen dat besluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

13. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte met toepassing van artikel 5.4.3 van de planvoorschriften omgevingsvergunning heeft verleend. Daartoe voert hij aan dat ingevolge artikel 5.4.3 de activiteit slechts mag plaatsvinden in een gebouw met één bouwlaag terwijl de educatieruimte is voorzien in een gebouw dat uit meerdere bouwlagen bestaat.

13.1. Ingevolge artikel 5.4.3, aanhef en onder d, van de planvoorschriften kan, bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.1 voor het toelaten van niet-agrarische nevenactiviteiten met bijbehorende voorzieningen mits de nevenactiviteit slechts in één bouwlaag plaatsvindt. Anders dan [appellant A] stelt, is, gelet op de tekst van het artikel, niet vereist dat het gebouw waarin de niet-agrarische nevenactiviteit plaatsvindt niet meer dan één bouwlaag heeft maar is slechts vereist dat de activiteit niet in meerdere bouwlagen plaatsvindt. Nu de educatieruimte, gelet op de bij de aanvraag behorende bouwtekening, plaatsvindt in één bouwlaag van de melkveestal, te weten de eerste verdieping en niet tevens op de begane grond, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in zoverre in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

14. Hetgeen [appellant A] voor het overige betoogt, betreft een herhaling van zijn betoog zoals weergegeven onder 3, 5 en 6. Het betoog zoals weergegeven onder 3 en 5 kan, gelet op hetgeen is overwogen onder 3.1 en 5.1, niet tot vernietiging van het besluit van 8 oktober 2013 leiden. Het betoog zoals weergegeven onder 6 kan daar evenmin toe leiden. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

In onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt en voor zover hier van belang, zijn als categorie vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor aangewezen: inrichtingen voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, met uitzondering van categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer waarop artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. De melkrundveehouderij valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, terwijl artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Artikel 7.18 van de Wet milieubeheer is van toepassing indien het bevoegd gezag heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt of degene die de activiteit wil ondernemen heeft verklaard een milieueffectrapport te zullen maken. Dit doet zich hier niet voor en kan zich ook niet voordoen. Sinds 1 januari 2013 kan voor een inrichting die valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer en die, zoals hier, geen IPPC-installatie omvat en niet valt onder een andere categorie vergunningplichtige inrichtingen, aangewezen in de onderdelen B of C van bijlage I bij het Bor, de in artikel 7.18 van de Wet milieubeheer bedoelde beslissing of verklaring slechts worden verkregen via een eventuele vergunningprocedure op grond van artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor. Het houden van melkrundvee is in artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor echter niet genoemd als activiteit waarvoor een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is vereist. Uit het voorgaande volgt dat de melkrundveehouderij niet vergunningplichtig is op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt. Het betoog van [appellant A] geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 8 oktober 2013 in strijd met artikel 2.7 van de Wabo is genomen. Het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 8 oktober 2013 is ongegrond.

(…).

Beslissing

(…)

Annotatie M.A.A. Soppe en H. Witbreuk

1.         Het belang van deze uitspraak is met name gelegen in r.o. 14, waarin de Afdeling duidelijkheid verschaft over de vraag of er onder het huidig recht sprake is van een omgevingsvergunningplicht voor relatief kleinschalige melkrundveehouderijen. Onderdeel B lid 1 aanhef en sub b van bijlage I bij het Bor (de Afdeling spreekt in r.o. 14 (waarin het Bor aan de orde zoals dat luidt na 1 januari 2013) naar wij aannemen per abuis over sub c) bevat als hoofdregel dat voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten een omgevingsvergunningplicht bestaat als bedoeld in art. 2.1 lid 1 sub e Wabo. Op die hoofdregel wordt evenwel voor een flink aantal inrichtingen voor activiteiten als bedoeld in onderdeel D uitzondering gemaakt mits art. 7.18 Wm daarop niet van toepassing is. Van die laatste situatie is sprake als het bevoegd gezag voor de desbetreffende activiteit heeft beslist dat er een MER moet worden vervaardigd. Hoewel die uitleg voor de hand liggend is, is het goed dat de Afdeling dit expliciet overweegt. De zinsnede met betrekking tot het “van toepassing zijn van art. 7.18 Wm” kan taalkundig gezien immers ook betrekking kunnen hebben op m.e.r.-beoordelingsbeslissingen die inhouden dat geen MER hoeft te worden gemaakt. De Afdeling constateert dat onderdeel D-14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: D-14) tot de uitzonderingen in onderdeel B lid 1 aanhef en sub b van bijlage I bij het Bor behoort. D-14 ziet op het houden van landbouwdieren, waaronder begrepen melkrundvee. Vervolgens concludeert de Afdeling dat art. 7.18 Wm nimmer van toepassing kan zijn op D-14 voor zover het ziet op melkrundvee. Sinds 1 januari 2013 geldt voor D-14 dat de in art. 7.18 Wm bedoelde beslissing slechts kan worden verkregen via de omgevingsvergunningprocedure beperkte milieutoets (ex art. 2.1 lid 1 sub i Wabo) op grond van art. 2.2a lid 1 Bor. In dat artikellid wordt echter geen melding gemaakt van melkrundvee. De Afdeling stelt op grond daarvan vast dat voor een melkrundveehouderij aldus geen omgevingsvergunning beperkte milieutoets is vereist. Dat betekent dat melkrundveehouderijen wat betreft de activiteit milieu uitsluitend worden gereguleerd via het Activiteitenbesluit milieubeheer voor zover het aantal melkrunderen maximaal 200 voor dieren ouder dan twee jaar dan wel maximaal 340 bedraagt. Worden deze drempels overschreven, dan geldt er ingevolge categorie 8.3 onder h of onder i uit onderdeel C van bijlage I bij het Bor een omgevingsvergunningplicht als bedoeld in art. 2.1 lid 1 sub e Wabo. Genoemde drempels stemmen overeen met die in kolom 2 (onder sub 7 en sub 8) van D-14. Dat impliceert dat bij overschrijding van de drempels per definitie een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht ten behoeve van en voorafgaande aan de verlening van de noodzakelijke omgevingsvergunning.

2.         Deze uitspraak impliceert dat er voor de oprichting of wijziging van een inrichting waarbij de hiervoor bedoelde drempels niet worden overschreden, niet is verzekerd dat er een kader is voor een informele m.e.r.-beoordeling. Een dergelijke informele m.e.r.-beoordeling is vanwege art. 2 lid 5 Besluit m.e.r. wel vereist indien voor de oprichting of wijziging van zo’n inrichting een omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (projectafwijkingsbesluit) is vereist. Een dergelijke vergunning komt tot stand via afdeling 3:4 Awb en (vanwege art. 3.10 lid 4 Wabo) een of meer artikelen van afdeling 13.2 Wm en is daarmee een besluit als bedoeld in kolom 4 van D-14. Maar als de aangevraagde inrichting past binnen het bestemmingsplan, is er geen besluit als bedoeld in kolom 4 nodig. Het is niet consistent om het al dan niet moeten verrichten van een informele m.e.r.-beoordeling afhankelijk te laten zijn van de vraag of er een projectafwijkingsbesluit wordt genomen. Daarnaast rijst de vraag of het niet verzekerd zijn dat er een informele m.e.r.-beoordeling plaatsvindt zich verdraagt met de m.e.r.-richtlijn. Het antwoord luidt zonder meer ontkennend als een melkrundveehouderij van minder dan 200 melkrunderen (ouder dan 2 jaar) dan wel van minder dan in totaal 340 melkrunderen moet worden beschouwd als een  intensief veeteeltbedrijf in de zin van bijlage II, onder 1e, bij de m.e.r.-richtlijn. Nu het steeds vaker voorkomt dat ook melkrunderen continue op stal staan, is het ons inziens niet zonder meer evident dat melkrundveehouderijen (ook voor zover die relatief kleinschalig zijn) niet als een vorm van intensieve veeteelt kunnen worden aangemerkt. Ook de Afdeling lijkt van oordeel dat een melkrundveehouderij met minder dan 200 melkrundvee onder de werkingssfeer van (bijlage II, onder 1e, bij) de m.e.r.-richtlijn is begrepen. Immers bij de toetsing van het oorspronkelijke besluit aan het recht zoals dat gold voor 1 januari 2013 concludeert de Afdeling dat er vanwege de m.e.r.-richtlijn en in weerwil van de Nederlandse regeling voor de desbetreffende veehouderij een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 sub e Wabo  (informele) m.e.r.-beoordeling vereist kan zijn, indien uit een m.e.r.-beoordeling zou blijken dat er vanwege de te verwachten belangrijke nadelige milieugevolgen een MER zou moeten worden gemaakt (zie r.o. 7.5 en 7.6). Het is ons onduidelijk hoe dit oordeel valt te rijmen met de conclusie dat voor eenzelfde melkrundveehouderij onder het huidig recht nimmer een omgevingsvergunningplicht beperkte milieutoets (en daarmee evenmin van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu) bestaat.  Dat betekent veelal tevens dat er ook geen kader (te weten een besluit als bedoeld in kolom 4 van D-14) voor een (informele) m.e.r.-beoordeling is. Als de Afdeling vindt dat een melkrundveehouderij als in casu aan de orde binnen de werkingssfeer van de m.e.r.-richtlijn valt, had onderdeel B lid 1 aanhef en sub b van bijlage I bij het Bor ook richtlijnconform kunnen worden uitgelegd door te oordelen dat de uitzondering van de omgevingsvergunningplicht ex art. 2.1 lid 1 sub e Wabo voor  een activiteit als bedoeld in D-14 uitsluitend aan de orde is voor zover art. 7.18 Wm überhaupt van toepassing kan zijn.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.