Annotatie AbRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:170, M en R 2014/46

Essentie

Het is toegestaan om de maximumcapaciteit van een vergassingsinstallatie in de planregels van een bestemmingsplan vast te leggen. De oprichting van een dergelijke installatie is aan te merken als de oprichting van een installatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen. De drempelwaarde in onderdeel C, onder 18.4, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt niet overschreden. Verder is onderdeel D, onder 18.7, van dit Besluit niet van toepassing nu er sprake is van de oprichting van een installatie. Wel is er sprake van een vergewisplicht. De gemeenteraad moest zich er van vergewissen of het plan een aanzienlijke milieugevolgen kan hebben en of er in het verlengde daarvan een (plan)MER had moeten worden opgesteld. De gemeenteraad verwijst naar de project-m.e.r.-beoordeling die heeft plaatsgevonden in het kader van de omgevingsvergunning. Uit die beoordeling volgt dat voor de in het plan voorziene ontwikkeling geen alternatieven zijn en dat ten gevolge van de ontwikkeling geen significante negatieve effecten op de omgeving te verwachten zijn. Afdeling accordeert dat er geen (plan)MER is gemaakt. Nu geen zelfstandige afvalscheidingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt, maar alleen een ondersteunende afvalscheidingsinstallatie is categorie 4.2 VNG-brochure niet van toepassing. Er dient aansluiting te worden gezocht bij kleinschalige afvalverbrandingsinstallatie, die valt onder categorie 3.2 VNG-brochure.

Een aantal appellanten beroept zich op normen uit de Natuurbeschermingswet 1998 vanwege de vrees dat het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied wordt aangetast. De afstand tussen dit gebied en de woningen van appellanten is meer dan 2,5 kilometer. De gronden behorende tot het Zuidlaardermeergebied maken geen del uit van hun direct leefomgeving. Er bestaat geen duidelijk verwevenheid van de individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun direct leefomgeving met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen. Desbetreffende beroepsgronden blijven buiten beschouwing vanwege het relativiteitsbeginsel.

Samenvatting

Voor zover wordt betoogd dat de maximumcapaciteit van de vergassingsinstallatie rechtsonzeker is en niet handhaafbaar is, overweegt de Afdeling dat in artikel 1, lid 1.56 van de planregels is vastgelegd dat de capaciteit van de vergassingsinstallatie 84 ton per dag mag bedragen. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat deze planregel rechtsonzeker is, nu de zinsnede -per dag- naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs moet worden opgevat als -per etmaal-, zodat het gaat om de maximale capaciteit per 24 uur. Gelet op de definitie van een vergassingsinstallatie in artikel 1, lid 1.56, van de planregels kan in het plangebied enkel een vergassingsinstallatie met een maximale capaciteit van 84 ton per dag worden opgericht. Nu categorie 18.4 van onderdeel C van het Besluit m.e.r. betrekking heeft op het mogelijk maken van installaties voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 100 ton per dag en de in het plan toegestane capaciteit minder bedraagt dan 100 ton per dag, bestond in zoverre voor dit plan geen plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Voor zover wordt aangevoerd dat voor het plan een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld omdat het plan voorziet in een activiteit als bedoeld in categorie 20.2 van onderdeel C, overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan niet voorziet in oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton. De omstandigheid dat de vergassingsinstallatie en de kartonfabriek in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk kunnen worden aangemerkt als een inrichting doet daaraan niet af, nu in dit bestemmingsplan uitsluitend een rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt en niet tevens is voorzien in de wijziging van de bestemming van de karton- of papierfabriek. Gelet hierop was de raad in zoverre niet gehouden een plan-MER op te stellen.

Aangezien het plan, nu daarin de oprichting van een rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt niet voorziet in de wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen, valt de activiteit die in het plan wordt mogelijk gemaakt niet onder categorie 18.7 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. Ook in zoverre bestond voor de raad derhalve geen verplichting te beoordelen of een MER diende te worden gemaakt.

Nu bedoelde drempels indicatieve waarden zijn moet de raad zich er van vergewissen of het plan ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben en dit motiveren. De raad verwijst hiervoor naar de project-m.e.r.-beoordeling die heeft plaatsgevonden in het kader van de omgevingsvergunning. Uit die beoordeling volgt dat voor de in het plan voorziene ontwikkeling geen alternatieven zijn en dat ten gevolge van de ontwikkeling geen significante negatieve effecten op de omgeving te verwachten zijn.

Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel oproepen over het standpunt van de raad dat het op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling is uitgesloten dat de met het plan mogelijke gemaakte nieuwe ontwikkeling belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten.

In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat wat betreft de milieueffecten van de rejectvergassingsinstallatie die in dit plan wordt mogelijk gemaakt, aansluiting gezocht kan worden bij een kleinschalige afvalverbrandingsinstallatie die valt onder milieucategorie 3.2 uit de VNG-brochure. Volgens het deskundigenbericht is de in het plan voorziene installatie niet aan te merken als een afvalscheidingsinstallatie uit categorie 4.2 van de VNG-brochure omdat de afvalscheidingsactiviteit ondergeschikt is aan de vergassingsinstallatie. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de uitkomsten uit het deskundigenbericht te twijfelen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit artikel 1.56, van de planregels volgt dat onder een vergassingsinstallatie tevens moet worden verstaan, bij een vergassingsinstallatie behorende ondersteunende installatie ten behoeve van het bedrijfsproces (zoals voorbewerking middels een scheidingsinstallatie). Nu geen zelfstandige afvalscheidingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt, heeft de raad deze installatie in redelijkheid kunnen beschouwen als onderdeel van de vergassingsinstallatie.

Ingevolge artikel 1.56 van de planregels, wordt een rejectvergassingsinstallatie met een capaciteit van 84 ton per dag mogelijk gemaakt, waarbij rejects ingevolge artikel 1.53 van de planregels de biologisch afbreekbare fractie van produkten, afvalstoffen en residuen van industrieel afval, oftewel de mechanisch afgescheiden stoffen afkomstig van de verpulping van papier- en kartonafval zijn. Gelet op deze beperkingen stelt de Afdeling vast dat de in het plan toegestane installatie is geënt op de rejectvergassingsinstallatie waar Eska een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor heeft aangevraagd. De in het plan toegestane installatie is dan ook zodanig specifiek dat de raad bij de beoordeling van de milieugevolgen daarvan in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de rejectvergassingsinstallatie waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De Afdeling neemt daarbij voorts in aanmerking dat de in het plan voorziene installatie alleen mag worden opgericht indien aan de milieuregelgeving en de daarin gestelde technische eisen wordt voldaan. Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken naar de gevolgen van het plan voor de omgeving is uitgegaan van een scenario dat niet representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt.

Voor zover appellanten vrezen voor de gevolgen voor het Natura-2000 gebied het Zuidlaardermeergebied en zich beroepen op de normen uit de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), stelt de Afdeling vast, dat dit gebied zich op meer dan 2,5 km van het plangebied en van de woningen van appellanten bevindt. Het Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeergebied is voorts vanuit de woningen van appellanten niet zichtbaar. Desgevraagd hebben appellanten niet gesteld dan wel anderszins aannemelijk gemaakt dat de gronden, behorende tot het Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeergebied, deel uitmaken van hun directe leefomgeving. De Afdeling is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het Zuidlaardermeergebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van appellanten. Gelet hierop bestaat geen duidelijke verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van appellanten. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling dit betoog buiten beschouwing laat, nu artikel 1.9 van de Chw (thans: artikel 8:69a Awb) er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, en anderen, handelend onder de naam Burgerinitiatief TEGENGAS (hierna: Burgerinitiatief tegengas),
2. de stichting Stichting Steelande Wonen, gevestigd te Groningen,
gemeente Hoogezand-Sappemeer,
3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
5. [appellanten sub 5], beiden wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
6. [appellant sub 6] en anderen, allen wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Hoogezand-Sappemeer,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Eska Power" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 6] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Eska Graphic Board B.V. (hierna: Eska) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad met toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals dit luidde ten tijde van belang, het bestemmingsplan "Eska Power" gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en de raad op dit besluit gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2013, waar Burgerinitiatief tegengas, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], Stichting Steelande Wonen, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 4] en bijgestaan door mr. P.M.J. de Goede, voornoemd, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. A.J. Poelman, [appellant sub 6] en anderen, vertegenwoordigd door mr. W. Visser, en de raad, vertegenwoordigd door Y.A. Bartelds zijn verschenen.
Voorts is ter zitting Eska, vertegenwoordigd door B.J. Bodewes en bijgestaan door mr. L.P.W. Mensink en mr. C.M.H. Langemeyer, beiden advocaat te Amsterdam, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 4] en anderen, de raad en Eska hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, de raad en Eska hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 7 oktober 2013, waar Burgerinitiatief tegengas, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], Stichting Steelande Wonen, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door P.M.J. de Goede, voornoemd, de raad, vertegenwoordigd door Y.A. Bartelds en Eska, vertegenwoordigd door mr. J.A.R. Vermont, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in voornoemd artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 10 december 2012 aan als een besluit als bedoeld in voornoemd artikel 6:18 van de Awb, nu dit besluit beoogt te voorzien in het herstellen van gebreken in het besluit van 2 juli 2012 en nu de besluiten voorts voorzien in dezelfde planologische ontwikkeling. Verder is het besluit van 10 december 2012 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is er mededeling gedaan van dit besluit aan degenen die zienswijzen hebben ingediend tegen het besluit van 2 juli 2012.

Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, dient het beroep van Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 6] en anderen worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 december 2012.

Het besluit van 10 december 2012

3. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot oprichting van een rejectvergassingsinstallatie ten behoeve van een bestaande kartonfabriek die geëxploiteerd wordt door Eska op het bedrijventerrein Martenshoek. Het plangebied is gelegen in de kern Hoogezand.

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Crisis- en Herstelwet

5. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met bijlage I, onderdeel 1, onder 1.5, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op besluiten die vereist zijn voor de ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie.

5.1. In de plantoelichting staat dat de in het plan voorziene rejectvergassingsinstallatie ertoe dient om het bedrijfsproces van Eska energieneutraler te maken. Eska heeft uiteengezet dat de rejects die vrijkomen bij de productie van papier en karton in de installatie zullen worden vergast. Daarbij komt synthesegas vrij, dat vervolgens wordt verbrand. De warmte die hierbij vrijkomt wordt in de vorm van thermische energie ingezet in het productieproces van de bestaande kartonfabriek van Eska. Deze thermische energie wordt aldus duurzaam hergebruikt en geleverd ten behoeve van het productieproces van Eska.

Gelet hierop is de vaststelling van het plan een besluit dat vereist is voor de ontwikkeling van een ruimtelijk project ten behoeve van het leveren van duurzame energie en is derhalve afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het plan.

5.2. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ontvankelijkheid

6. Eska betwist de ontvankelijkheid van het beroep van de appellanten. Zij stelt hiertoe dat voor zover het natuurlijke personen betreft, zij op een zodanige afstand van het plangebied wonen, dat zij niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Geen van deze appellanten heeft volgens haar zicht op het plangebied en geen van hen is volgens haar woonachtig binnen 50 m van het plangebied.

Voorts is Burgerinitiatief tegengas volgens Eska geen rechtspersoon in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb en is het Burgerinitiatief exclusief ten behoeve van deze procedure opgericht. Daarom wordt het Burgerinitiatief volgens Eska niet in haar belang geraakt.

Eska betwist tevens de ontvankelijkheid van het beroep van Stichting Steelande Wonen, nu het voeren van procedures niet is verankerd in de statuten van deze stichting. Daarnaast heeft de stichting volgens Eska geen concreet en actueel belang.

6.1. [appellant sub 1] en anderen hebben een gezamenlijk beroepschrift ingediend, handelend onder de naam Burgerinitiatief tegengas. Burgerinitiatief tegengas heeft geen rechtspersoonlijkheid, de ondertekenaars treden tezamen op onder een gemeenschappelijke naam. Voor de ondertekenaars zal individueel worden bekeken of zij als belanghebbenden zijn aan te merken.

6.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6.3. De ondertekenaars van het beroepschrift dat is ingediend namens Burgerinitiatief tegengas zijn, met uitzondering van [drie personen], woonachtig in Hoogezand op niet meer dan 1 km afstand van het plangebied. Gelet op de ruimtelijke ontwikkeling die wordt mogelijk gemaakt in dit plan en de ruimtelijke uitstraling die daarvan uitgaat, is hun vrees dat zij ruimtelijke gevolgen van het plan kunnen ondervinden, bijvoorbeeld in het kader van verkeershinder of mogelijke milieugevolgen, niet op voorhand van iedere grond ontbloot. Deze appellanten hebben gelet daarop een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang en zijn derhalve aan te merken als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

6.4. [drie personen] wonen op meer dan 2 km afstand van het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [drie personen] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [drie personen] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van Burgerinitiatief tegengas, voor zover ingediend namens [drie personen] is niet-ontvankelijk. Voor zover hierna wordt gesproken over het beroep van Burgerinitiatief tegengas, worden zij daaronder niet mede begrepen.

7. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

7.1. Blijkens artikel 3 van de statuten van Stichting Steelande Wonen, heeft de stichting als doel uitsluitend werkzaam te zijn op het gebied van de volkshuisvesting.

Blijkens artikel 4 van de statuten heeft de stichting als werkgebied de gemeenten Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde, Slochteren, Veendam, Tynaarlo, Haren, Marum, Bedum, Winsum, Leek, Grootegast en Zuidhorn.

7.2. De stichting heeft ongeveer 100 woningen in eigendom die zijn gelegen in de omgeving van het plangebied. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van ongeveer 150 m van het plangebied.

7.3. De Afdeling is gezien de hiervoor weergegeven doelstelling en geografische begrenzing van de stichting en de afstand van de woningen die in eigendom zijn van de stichting tot het plangebied, van oordeel dat de stichting door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Gelet op het voorgaande kan de stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. De stelling van Eska dat het voeren van procedures niet is verankerd in de statuten, doet aan het voorgaande niet af.

Formele bezwaren

8. [appellant sub 6] en anderen voeren aan dat het ontwerpplan ten onrechte niet opnieuw ter inzage is gelegd en dat daarmee ten onrechte geen toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

8.1. De raad stelt dat het ontwerpplan niet opnieuw ter inzage behoefde te worden gelegd, aangezien alle betrokkenen op de hoogte waren gesteld van het nieuwe besluit. Voorts heeft Eska aangegeven niet in haar belangen te zijn geschaad door het besluit.

8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 22 februari 2012, in zaaknr. 201012762/1/T1/R1, dient in beginsel een bestuursorgaan een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling uitzonderingen mogelijk.

De raad kan na de vaststelling van het plan waarbij de zienswijze van een appellant niet of niet geheel is gehonoreerd, alsnog besluiten dat deze zienswijze dient te leiden tot een aanpassing van het plan, mits deze aanpassingen naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Verder wordt als uitzondering aangenomen de situatie dat het besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb wijzigingen van ondergeschikte aard bevat die de raad zonder dat de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen daartoe aanleiding gaven, in het plan wil doorvoeren.

8.3. In dit geval wordt met het besluit van 10 december 2012, voor zover daarbij aan de reeds met het eerste besluit mogelijk gemaakte rejectvergasser een maximumcapaciteit van 84 ton wordt verbonden, deels tegemoet gekomen aan de zienswijzen van Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 6] en anderen, zonder dat daardoor sprake is van een wezenlijk ander plan. De overige wijzigingen kunnen worden aangemerkt als wijzigingen van ondergeschikte aard, nu beide plannen voorzien in de mogelijkheid een rejectvergassingsinstallatie op te richten. De raad behoefde afdeling 3.4 van de Awb derhalve niet toe te passen op de voorbereiding van het besluit van 10 december 2012.

Milieueffectrapportage

9. Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 4] en anderen kunnen zich niet vinden in het plan, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid een rejectvergassingsinstallatie op te richten. Zij voeren aan dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling is gemaakt en ten onrechte geen milieueffectrapport voor het plan (hierna: plan-MER) is opgesteld.

Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat de rejectvergassingsinstallatie in categorie C.18.4 of categorie C.20.2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) wordt genoemd. Gelet daarop diende voor dit kaderstellende plan volgens hen ingevolge artikel 7.2, tweede en derde lid van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), in samenhang gelezen met artikel 1 van het Besluit m.e.r. een plan-MER te worden opgesteld.

Een alternatievenonderzoek was volgens hen voor dit plan voorts wenselijk, gelet op de ligging van het plangebied nabij een woonwijk. [appellant sub 3] voert verder aan dat ten onrechte geen plan-MER is opgesteld, omdat het plan toestaat dat de drempelwaarde D, van een capaciteit van 50 ton per dag wordt overschreden. Gelet op het experimentele karakter van de vergassingsinstallatie had de raad volgens hem een plan-MER moeten opstellen. [appellanten sub 5] voeren aan dat ten onrechte geen plan-MER is opgesteld, hetgeen volgens hen gezien de ingrijpendheid van de industriële bedrijvigheid verplicht was. [appellant sub 6] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen plan-MER is opgesteld omdat het plan niet voorziet in een beperking van de capaciteit. Voor zover bij het nadere besluit in de definitie van rejectvergasser in de planregels een maximale capaciteit is opgenomen, is dit volgens hen in een te laat stadium aangepast en heeft de raad niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Daarnaast hoort een maximumcapaciteit volgens [appellant sub 6] en anderen niet thuis in een bestemmingsplan en is een maximumcapaciteit rechtsonzeker omdat niet duidelijk is of dit de capaciteit is die wordt verbruikt als de installatie de hele dag in werking is, of dat het de capaciteit betreft van een beperkt aantal uren dat de installatie in werking is. Burgerinitiatief tegengas voert voorts aan dat een capaciteit van 84 ton niet handhaafbaar is.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor dit plan geen plan-MER behoefde te worden opgesteld omdat de rejectvergasser die wordt mogelijk gemaakt een maximale capaciteit mag verwerken van 84 ton per dag. De inrichting valt volgens hem dan ook niet onder categorie C.18.4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De inrichting valt volgens de raad daarnaast niet onder categorie D.18.7 omdat die categorie slechts betrekking heeft op wijziging en uitbreiding, hetgeen hier volgens de raad niet aan de orde is. Daarnaast valt de inrichting volgens de raad niet onder categorie C.20.2 aangezien de rejectvergasser niet ziet op de vervaardiging van papier of karton. De raad stelt voorts dat het plan niet kaderstellend is en dat daarom geen plan-MER behoefde te worden opgesteld.

9.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wm in samenhang bezien met artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm in samenhang bezien met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het vijfde lid geldt voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

9.3. In onderdeel C van het Besluit m.e.r., wordt in categorie 18.4, voor zover thans van belang, bepaald dat een MER dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 100 ton per dag.

In onderdeel C van het Besluit m.e.r., wordt in categorie 20.2, voor zover thans van belang, bepaald dat een milieueffectrapport dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van meer dan 200 ton per dag.

In onderdeel D van het Besluit m.e.r., wordt in categorie 18.7, voor zover thans van belang, bepaald dat beoordeeld dient te worden of een milieueffectrapport dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen, in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 50 ton per dag.

9.4. Aan de gronden in het plangebied is, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf" toegekend. Aan een deel van deze gronden is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vergassingsinstallatie" toegekend.

9.5. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden, bestemd voor de hoofdfunctie bedrijven en is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vergassingsinstallatie" ten behoeve van een kartonfabriek een vergassingsinstallatie toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.56, van de planregels, is een vergassingsinstallatie een installatie voor het vergassen van rejects met een capaciteit van 84 ton per dag met ondersteunende installaties (zoals voorbewerking middels een scheidingsinstallatie) ten behoeve van het bedrijfsproces.

Ingevolge artikel 1, lid 1.53, van de planregels zijn rejects de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van industrieel afval, oftewel de mechanisch afgescheiden stoffen afkomstig van de verpulping van papier- en kartonafval.

9.6. Voor zover wordt aangevoerd dat geen maximumcapaciteit voor de vergassingsinstallatie in het plan had mogen worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dergelijke regels, die ruimtelijk relevant kunnen zijn, in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

9.7. Voor zover wordt betoogd dat de maximumcapaciteit van de vergassingsinstallatie rechtsonzeker is en niet handhaafbaar is, overweegt de Afdeling dat in artikel 1, lid 1.56 van de planregels is vastgelegd dat de capaciteit van de vergassingsinstallatie 84 ton per dag mag bedragen. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat deze planregel rechtsonzeker is, nu de zinsnede -per dag- naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs moet worden opgevat als -per etmaal-, zodat het gaat om de maximale capaciteit per 24 uur. Het betoog faalt.

9.8. Gelet op de definitie van een vergassingsinstallatie in artikel 1, lid 1.56, van de planregels kan in het plangebied enkel een vergassingsinstallatie met een maximale capaciteit van 84 ton per dag worden opgericht. Nu categorie 18.4 van onderdeel C van het Besluit m.e.r. betrekking heeft op het mogelijk maken van installaties voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 100 ton per dag en de in het plan toegestane capaciteit minder bedraagt dan 100 ton per dag, bestond in zoverre voor dit plan geen plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport.

9.9. Voor zover wordt aangevoerd dat voor het plan een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld omdat het plan voorziet in een activiteit als bedoeld in categorie 20.2 van onderdeel C, overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan niet voorziet in oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton. De omstandigheid dat de vergassingsinstallatie en de kartonfabriek in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk kunnen worden aangemerkt als een inrichting doet daaraan niet af, nu in dit bestemmingsplan uitsluitend een rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt en niet tevens is voorzien in de wijziging van de bestemming van de karton- of papierfabriek. Gelet hierop was de raad in zoverre niet gehouden een plan-MER op te stellen.

9.10. Aangezien het plan, nu daarin de oprichting van een rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt niet voorziet in de wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen, valt de activiteit die in het plan wordt mogelijk gemaakt niet onder categorie 18.7 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. Ook in zoverre bestond voor de raad derhalve geen verplichting te beoordelen of een MER diende te worden gemaakt.

9.11. Nu bedoelde drempels indicatieve waarden zijn moet de raad zich er van vergewissen of het plan ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben en dit motiveren. De raad verwijst hiervoor naar de project-m.e.r.-beoordeling die heeft plaatsgevonden in het kader van de omgevingsvergunning. Uit die beoordeling volgt dat voor de in het plan voorziene ontwikkeling geen alternatieven zijn en dat ten gevolge van de ontwikkeling geen significante negatieve effecten op de omgeving te verwachten zijn.

Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel oproepen over het standpunt van de raad dat het op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling is uitgesloten dat de met het plan mogelijke gemaakte nieuwe ontwikkeling belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten.

9.12. Gelet op het voorgaande wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of en plan-MER diende te worden opgesteld, noch dat de raad ten onrechte geen plan-MER heeft opgesteld. De betogen falen.

Milieucategorie / woon- leefklimaat

10. Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen en [appellanten sub 5] voeren aan dat de vergassingsinstallatie wordt voorzien op een te korte afstand van hun woningen. Zij vrezen voor een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen. Zij stellen hiertoe dat de brochure "Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten" (hierna: VNG-brochure) onjuist is toegepast omdat de rejectvergassingsinstallatie in een hogere milieucategorie valt dan de raad veronderstelt en omdat de omgeving van het plangebied volgens hen ten onrechte is aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. De raad had volgens hen daarom een grotere richtafstand van de installatie tot hun woningen aan moeten houden.

Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 4] en anderen, Burgerinitiatief tegengas en [appellant sub 3] voeren aan dat de raad bij de beoordeling van de milieueffecten van het plan ten onrechte is uitgegaan van de beperkingen die aan de rejectvergassingsinstallatie zijn opgelegd in de daarvoor verleende omgevingsvergunning. Volgens hen maakt het plan meer mogelijk dan hetgeen is vergund en zijn de gevolgen van het meerdere ten onrechte niet onderzocht.

Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van het plan op het woon- en leefklimaat in de omliggende woonwijken. Daartoe hebben Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen een notitie van Grontmij van 14 december 2012 overgelegd, waarin staat dat niet gesteld kan worden dat geen geurhinder te verwachten is ten gevolge van de in het plan mogelijk gemaakte rejectvergassingsinstallatie en dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de geurbelasting op de woningen van appellanten zijn. Volgens de notitie kan het plan leiden tot extra vrachtbewegingen in verband met de aanvoer van rejects afkomstig van derden. Dit kan volgens de notitie leiden tot extra geluidhinder en luchtemissie, hetgeen volgens Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen ten onrechte niet is onderzocht.

Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen voeren voorts aan dat de raad de rottingsprocessen van de rejects die kunnen gaan plaatsvinden binnen het plangebied, ten onrechte niet bij de beoordeling van de milieugevolgen heeft betrokken.

10.1. De raad stelt dat voor wat betreft de milieugevolgen van de rejectvergassingsinstallatie aangesloten kan worden bij milieucategorie 3.2 uit VNG-brochure. Voorts stelt de raad dat uit onderzoeken blijkt dat geen sprake is van onevenredige geluidhinder, geurhinder of verslechtering van de luchtkwaliteit. Gelet daarop is volgens de raad ter plaatse van de omringende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. De raad stelt voorts dat hij de omgeving van het plangebied heeft aangemerkt als gemengd gebied, als bedoeld in de VNG-brochure, nu de samenstelling van de omgeving erg divers is omdat in de omgeving zowel woningen, winkels, speel- en sportvoorzieningen, kantoren, horeca een begraafplaats als een industrieterrein aanwezig zijn.

De raad stelt verder dat de extra vrachtbewegingen zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek en dat de milieugevolgen van rottingsprocessen niet zijn meegenomen omdat dergelijke processen zich volgens de raad slechts zeer incidenteel zullen voordoen.

10.2. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat wat betreft de milieueffecten van de rejectvergassingsinstallatie die in dit plan wordt mogelijk gemaakt, aansluiting gezocht kan worden bij een kleinschalige afvalverbrandingsinstallatie die valt onder milieucategorie 3.2 uit de VNG-brochure. Volgens het deskundigenbericht is de in het plan voorziene installatie niet aan te merken als een afvalscheidingsinstallatie uit categorie 4.2 van de VNG-brochure omdat de afvalscheidingsactiviteit ondergeschikt is aan de vergassingsinstallatie. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de uitkomsten uit het deskundigenbericht te twijfelen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit artikel 1.56, van de planregels volgt dat onder een vergassingsinstallatie tevens moet worden verstaan, bij een vergassingsinstallatie behorende ondersteunende installatie ten behoeve van het bedrijfsproces (zoals voorbewerking middels een scheidingsinstallatie). Nu geen zelfstandige afvalscheidingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt, heeft de raad deze installatie in redelijkheid kunnen beschouwen als onderdeel van de vergassingsinstallatie.

Voor zover appellanten aanvoeren dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de milieugevolgen van de rejectvergassingsintallatie zoals die door Eska is voorgenomen en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend en niet de maximale mogelijkheden van het plan zijn beoordeeld, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 1.56 van de planregels, wordt een rejectvergassingsinstallatie met een capaciteit van 84 ton per dag mogelijk gemaakt, waarbij rejects ingevolge artikel 1.53 van de planregels de biologisch afbreekbare fractie van produkten, afvalstoffen en residuen van industrieel afval, oftewel de mechanisch afgescheiden stoffen afkomstig van de verpulping van papier- en kartonafval zijn.

Gelet op deze beperkingen stelt de Afdeling vast dat de in het plan toegestane installatie is geënt op de rejectvergassingsinstallatie waar Eska een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor heeft aangevraagd. De in het plan toegestane installatie is dan ook zodanig specifiek dat de raad bij de beoordeling van de milieugevolgen daarvan in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de rejectvergassingsinstallatie waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De Afdeling neemt daarbij voorts in aanmerking dat de in het plan voorziene installatie alleen mag worden opgericht indien aan de milieuregelgeving en de daarin gestelde technische eisen wordt voldaan. Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken naar de gevolgen van het plan voor de omgeving is uitgegaan van een scenario dat niet representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten aanzien van de milieugevolgen van de in het plan voorziene rejectvergassingsinstallatie niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij milieucategorie 3.2 uit de VNG-brochure.

10.3. Voor een gemengd gebied gelden volgens de VNG-brochure kleinere richtafstanden dan de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk of een rustig buitengebied.

Het begrip gemengd gebied wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen."

10.4. De omgeving ten noorden, oosten en westen van het plangebied kent verschillende functies. Er zijn diverse woningen gelegen, alsmede detailhandel, dienstverlening, horeca, een begraafplaats, industriële bedrijvigheid en sportvoorzieningen. Gelet daarop heeft de raad deze omgeving terecht aangemerkt als gemengd gebied.

10.5. Ten zuiden van het plangebied is een woonwijk van geringe omvang gelegen, die in het noorden wordt begrensd door een spoorlijn en in het zuiden door de Erasmusweg. Aangezien de wijk een geringe omvang heeft en direct langs de hoofdinfrastructuur is gelegen, alsmede gelet op de omstandigheid dat de wijk in het zuiden grenst aan de Erasmusweg, langs welke weg diverse functies voorkomen, heeft de raad ook deze wijk terecht aangemerkt als gemengd gebied.

11. Volgens de VNG-brochure bedraagt de richtafstand tussen bedrijven uit milieucategorie 3.2 tot de gevel woningen gelegen in gemengd gebied 50 m ten aanzien van het aspect geur.

11.1. De gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied, zoals de woningen van appellanten, zijn gelegen op een afstand van meer dan 50 m van de gronden waarop de rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt. In zoverre wordt dan ook voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de vergassingsinstallatie een gesloten proces is, waarbij de best beschikbare technieken worden toegepast. De voorbewerking van de papierrejects vindt voorts inpandig plaats. Volgens het deskundigenbericht zijn gelet op de eisen die in de omgevingsvergunning worden gesteld, geen nadelige effecten voor het woon- en leefklimaat te verwachten voor het aspect geur. De vrees van Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen voor rottingsprocessen binnen het plangebied acht de Afdeling niet gerechtvaardigd. De situatie waarnaar Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen ter zitting hebben verwezen betreft een geval waarin na faillissement van een fabriek het bedrijfsproces maanden had stilgelegen en waarbij in die tijd rottingsprocessen zijn ontstaan. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die situatie niet vergelijkbaar is met de in het plan voorziene ontwikkeling. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden bij het beoordelen van de milieugevolgen van het plan.

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen naar aanleiding van de aanmeldingsnotitie m.e.r., die Eska heeft opgesteld ten behoeve van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning, besloten dat ten behoeve van de omgevingsvergunning geen project MER hoeft te worden opgesteld. Volgens de onderbouwing van dit besluit zal de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, en is het nader afwegen van de milieueffecten door het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk. In de plantoelichting is voorts uiteengezet dat de in het plan voorziene installatie zal worden uitgerust met een uitgebreide rookgasreiniging, waardoor de emissie van stoffen op de luchtkwaliteit verwaarloosbaar klein zal zijn, hetgeen door het deskundigenbericht wordt bevestigd. Gelet daarop en nu aan de richtafstand uit de VNG-brochure wordt voldaan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige geurhinder ter plaatse van de woningen van appellanten. In het aangevoerde wordt, het voorgaande in aanmerking genomen, geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geuremissies ten gevolge van het plan niet zullen leiden tot gezondheidsrisico’s.

12. Volgens de VNG-brochure bedraagt ten aanzien van het aspect geluid de richtafstand tussen bedrijven uit milieucategorie 3.2 tot milieugevoelige bestemmingen gelegen in gemengd gebied 50 m.

12.1. De gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied, zoals de woningen van appellanten, zijn gelegen op een afstand van meer dan 50 m van de gronden waarop de rejectvergassingsinstallatie wordt mogelijk gemaakt. In zoverre wordt dan ook voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure.

12.2. Ter zitting hebben de raad en Eska toegelicht dat de vrachtwagenbewegingen zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek van Peutz van 31 januari 2012. Volgens de notitie van NAA van 10 juni 2013, die Eska heeft overgelegd, zijn de vrachtwagenbewegingen meegenomen in het onderzoek van Peutz en worden de vergunningsgrenswaarden bij de realisering van dit plan niet overschreden. Dit wordt bevestigd door het deskundigenbericht, waarin is opgenomen dat deze grenswaarden niet worden overschreden.

Appellanten hebben gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek waar de raad zich op heeft gebaseerd gebrekkig is. De raad heeft zich daar dan ook op mogen baseren. Nu aan de richtafstand uit de VNG-brochure wordt voldaan en uit het akoestisch onderzoek volgt dat de vergunde geluidgrenswaarden ten gevolge van het plan niet zullen worden overschreden en aan deze waarden kan worden voldaan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van appellanten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

13. Voor zover Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen vrezen voor de gevolgen voor het Natura-2000 gebied het Zuidlaardermeergebied en zich beroepen op de normen uit de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), stelt de Afdeling vast, dat dit gebied zich op meer dan 2,5 km van het plangebied en van de woningen van appellanten bevindt. Het Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeergebied is voorts vanuit de woningen van Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen niet zichtbaar. Desgevraagd hebben Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen niet gesteld dan wel anderszins aannemelijk gemaakt dat de gronden, behorende tot het Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeergebied, deel uitmaken van hun directe leefomgeving. De Afdeling is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het Zuidlaardermeergebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen. Gelet hierop bestaat geen duidelijke verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling dit betoog buiten beschouwing laat, nu artikel 1.9 van de Chw er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

14. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omringende woningen. Gelet op het voorgaande heeft de raad voorts toereikend gemotiveerd dat de in het plan voorziene ontwikkeling er niet toe leidt dat ter plaatse van de nabij het plangebied gelegen woningen niet langer een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De betogen falen.

Overige bezwaren

15. [appellant sub 3] voert aan dat het plan leidt tot een vermindering van zijn woongenot, nu zijn uitzicht wordt beperkt door de in het plangebied voorziene bebouwing. Hij stelt dat het mogelijk maken van hoge kolossale bouwwerken met een hoogte van 30 m onacceptabel is in een woonomgeving.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 3] geen zicht heeft op het plangebied, nu de aanwezige bomensingel het plangebied op natuurlijke wijze afschermt van de omgeving. Voor zover al sprake is van een beperking van uitzicht, acht de raad deze beperking gelet op de afscherming acceptabel.

15.2. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 3] en het voorziene bouwvlak bedraagt ongeveer 55 m. Tussen het perceel van [appellant sub 3] en het plangebied zijn een weg en water gelegen. Voorts is ter plaatse aan weerszijden van het water een bomenrij aanwezig. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zicht op het plangebied beperkt is. Voor zover sprake is van vermindering van uitzicht, heeft de raad zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze beperking niet onevenredig nadelig is voor [appellant sub 3]. Het betoog faalt.

16. Voor zover Stichting Steelande Wonen en anderen en [appellant sub 4] en anderen stellen dat in de staat van bedrijfsactiviteiten te veel bedrijven worden toegestaan die geen enkele betrekking hebben op de plannen van Eska, overweegt de Afdeling dat de in het plan toegestane activiteiten binnen een planperiode van tien jaar verwezenlijkt dienen te kunnen worden. Weliswaar heeft Eska op dit moment alleen concrete plannen tot het oprichten van een rejectvergassingsinstallatie, dit betekent echter niet dat de gronden binnen de planperiode niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. In het aangevoerde wordt gelet daarop geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan in zoverre niet binnen de planperiode uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

17. Voor zover Stichting Steelande Wonen en [appellant sub 4] en anderen aanvoeren dat het plan niet uitvoerbaar is omdat Eska haar plannen kan wijzigen, overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat eraan te twijfelen dat Eska activiteiten in het plangebied wil voortzetten die passen binnen het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 3] voert aan dat door het laten vervallen van de bevoegdheid tot het afwijken van de gebruiksregels, te veel bedrijfsactiviteiten in het plan worden mogelijk gemaakt.

18.1. De Afdeling stelt vast dat het plan, door het vervallen van de afwijkingsbevoegdheid, juist minder mogelijk maakt dan het plan dat op 2 juli 2012 is vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 3] faalt daarom.

Conclusie

19. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het besluit van 2 juli 2012

20. De beroepen van Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen en [appellanten sub 5] zijn tevens gericht tegen het plan dat is vastgesteld bij besluit van 2 juli 2012. Dit plan is in zijn geheel, maar in gewijzigde vorm, opnieuw vastgesteld bij het besluit van 10 december 2012. Nu blijkens het overwogene onder 19. de beroepen tegen het besluit van 10 december 2012, voor zover ontvankelijk, ongegrond worden verklaard, wordt het besluit van 10 december 2012 met de bekendmaking van deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat het besluit van 2 juli 2012 geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van dit deel van het beroep ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen en [appellanten sub 5] in zoverre geen procesbelang meer hebben. In verband hiermee dienen de beroepen van Burgerinitiatief tegengas, Stichting Steelande Wonen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen en [appellanten sub 5], voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012, en het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover gericht tegen het besluit van 10 december 2012, voor zover ingediend door [drie personen], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 10 december 2012, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

 

Annotatie M.A.A. Soppe (tevens noot bij uitspraak Rechtbank Noord-Nederland, 14 januari 2014, ASS AWB 12/451, waarbij tevens op bovenstaande uitspraak wordt ingegaan (vanaf punt 7 e.v.))

1.         In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over de vraag of een biomassaelektriciteitscentrale (afgekort: bmec) al dan niet moet worden begrepen onder onderdeel C, onder 18.4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: C-18.4). C-18.4 ziet onder meer op de oprichting van een installatie bestemd voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen. Eiseres en het bevoegd gezag (gedeputeerde staten van Drenthe) verschilden niet van mening dat er in de bmec niet-gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand. Gedeputeerde staten menen echter, anders dan eiseres, dat er geen sprake is van verbranden in de zin van het Besluit m.e.r. Volgens gedeputeerde staten ziet de term ‘verbranden’ in C-18.4 uitsluitend op het verbranden van afvalstoffen als vorm van verwijdering en niet op het verbranden van afvalstoffen als vorm van nuttige toepassing. Aangezien dat laatste aan de orde is bij de bmec, achten gedeputeerde staten C-18.4 niet van toepassing.

2.         Voor de interpretatie van gedeputeerde staten is in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. geen concreet aanknopingspunt te vinden. De redactie van C-18.4 is helder. Deze spreekt over installaties waarin niet-gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand. Blijkens deze redactie doet het karakter van de verbranding (verwijderingshandeling of nuttige toepassing) niet ter zake. Dat C-18.4 een implementatie vormt van bijlage I, onder 10, bij de m.e.r.-richtlijn (hierna: I-10 m.e.r.-richtlijn), doet daar in beginsel niet aan af. Ook als zou moeten worden aangenomen dat I-10 m.e.r.-richtlijn geen betrekking heeft op de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen voor zover dat geschiedt als een nuttige toepassing van die afvalstoffen (waarover dadelijk meer), zou dat mijns inziens niet betekenen dat om die reden een beperking in C-18.4 zou moeten worden gelezen die er niet staat. Het is de EU-lidstaten immers toegestaan om een meeromvattende m.e.r.-regeling te hebben dan waartoe de m.e.r.-richtlijn dwingt. Ook zou ik in dat verband geen betekenis willen toekennen aan de nota van toelichting bij het Besluit van 7 mei 1999, houdende wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994 alsmede uitvoering van artikel 2, derde lid, van de Tracéwet (Stb. 1999, 224). Hierin wordt een duidelijke aanwijzing gegeven dat  het begrip “verbranden” in het Besluit m.e.r. uitsluitend zou moeten zien op het verbranden als verwijderingshandeling. Opgemerkt wordt dat onder het begrip “verbranden” in het Besluit m.e.r. 1994 wordt verstaan het verbranden, zijnde de definitieve verwijdering, bedoeld in bijlage IIA van de richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 (PbEG L 194/39), zoals gewijzigd bij onder meer Richtlijn 91/156/EEG (PbEG L 78/31) (zie Stb. 1999, 224, p. 58). De desbetreffende bijlage IIA had betrekking op verwijderingshandelingen. Bijlage IIB zag op handelingen betreffende de nuttige toepassing. Omdat de in de toelichting gegeven definitie niet in het Besluit m.e.r. zelf was en is opgenomen, komt het mij vanuit legistisch perspectief juist voor dat de duidelijke tekst van C-18.4 voorrang heeft op de kennelijke uitsluitend in de toelichting verwoorde bedoeling van de wetgever. Ik vind het overigens opvallend en niet juist dat de rechtbank zich bij haar oordeelsvorming niet primair heeft laten leiden door de op zich duidelijke redactie van C-18.4.

3.         De rechtbank acht de reikwijdte van C-18.4 afhankelijk van de reikwijdte van I-10 m.e.r.-richtlijn, aangezien C-18.4 een implementatie van dat onderdeel vormt. I-10 m.e.r.-richtlijn luidt als volgt: “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding of chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 t per dag”. Over de reikwijdte van I-10 m.e.r.-richtlijn heeft het Hof van Justitie reeds in 2006 een helder arrest gewezen. (HvJEG 23 november 2006, M&R 2007/49, m.nt. Van den Biggelaar; zie eveneens HvJEG 5 juli 2007, zaak C-255/05). Het belangrijkste oordeel van het Hof is dat het begrip “verwijdering van afvalstoffen” in de m.e.r.-richtlijn autonoom moet worden uitgelegd, derhalve los van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit begrip omvat in de m.e.r.-richtlijn volgens het Hof zowel verwijderingshandelingen als handelingen voor nuttige toepassing. Oftewel, een afvalverwijderingsinstallatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen valt onder de reikwijdte van I-10 m.e.r.-richtlijn ongeacht het antwoord op de vraag of de verbranding kan worden aangemerkt als verwijderingshandeling dan wel als handeling voor de nuttige toepassing. Het Hof overweegt daartoe allereerst dat in de toentertijd geldende m.e.r.-richtlijn en Kaderrichtlijn afvalstoffen geen definitie werd gegeven van het begrip “verwijderen van afvalstoffen”. Wel memoreert het Hof dat in de Kaderrichtlijn een onderscheid werd gemaakt tussen de verwijdering van afvalstoffen en de nuttige toepassing van afvalstoffen. Het Hof leidt uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen af dat met de nuttige toepassing van afvalstoffen wordt beoogd dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die anders voor deze functie hadden moeten worden gebruikt. Aldus worden de natuurlijke hulpbronnen beschermd. Het doel van de nuttige toepassing van afvalstoffen heeft volgens het Hof niets van doen met de gevolgen voor het milieu die de handelingen voor nuttige toepassing van de afvalstoffen op zich kunnen hebben. Nuttige toepassingshandelingen kunnen evenals verwijderingshandelingen een aanzienlijk milieueffect hebben, zo overweegt het Hof. Daaruit leidt het Hof af dat het voor de hand ligt dat de term “verwijdering van afvalstoffen” in de m.e.r.-richtlijn zowel betrekking heeft op verwijderingshandelingen als op handelingen voor nuttige toepassing van afvalstoffen. Die conclusie volgt volgens het Hof ook uit het feit dat de gemeenschapswetgever in de m.e.r.-richtlijn expliciete verwijzingen naar de Kaderrichtlijn afvalstoffen heeft aangebracht waar hij dat nodig achtte. Zo is in onder meer I-10 m.e.r.-richtlijn voor de invulling van de term “chemische behandeling” wel een directe koppeling aangebracht met de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dat is niet gebeurd voor de term “verwijdering van afvalstoffen”.

4.         Het arrest van het Hof van Justitie uit 2006 lijkt mij nog steeds actueel, ook al zijn zowel de Kaderrichtlijn afvalstoffen als de m.e.r.-richtlijn sindsdien gewijzigd. De huidige Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat thans wel definities voor verwijderingshandelingen en handelingen voor nuttige toepassing. Dat doet mijns inziens niet af aan de door het Hof in zijn arrest gebezigde argumenten. Nog steeds staat overeind dat voor de milieueffecten geen bepalende factor is of een niet-gevaarlijke afvalstof bij wijze van nuttige toepassing of bij wijze van verwijderingshandeling wordt verbrand. Ik zie niet in dat daar anders over zou moeten worden geoordeeld nu deze termen zijn gedefinieerd in Kaderrichtlijn afvalstoffen. Verder zij erop gewezen dat in de vigerende m.e.r.-richtlijn niet alsnog een uitdrukkelijke koppeling is aangebracht tussen het begrip “verwijdering van afvalstoffen” en de Kaderrichtlijn afvalstoffen, terwijl die koppeling wel is gehandhaafd voor de invulling van het begrip “chemische behandeling”. Zolang het Hof niet terugkomt op zijn arrest uit 2006 (en daar is mijns inziens geen aanleiding voor) of de gemeenschapswetgever niet alsnog expliciet in de m.e.r.-richtlijn bepaalt dat de term “afvalverwijderinginstallaties voor de verbranding van afvalstoffen” enkel ziet op verwijderingshandelingen zoals gedefinieerd in de huidige Kaderrichtlijn afvalstoffen, dient mijns inziens uitgegaan te worden van de reikwijdte van I-10 m.e.r.-richtlijn zoals het Hof die in 2006 heeft gegeven.

5.         Gelet op vorenstaande kan ik mij goed vinden in het oordeel van de rechtbank over de reikwijdte van C-18.4. Dit oordeel betekent dat bmec’s waarin niet-gevaarlijke afvalstoffen – al dan niet via tussenstappen – worden verbrand, worden begrepen onder C-18.4. Zodra de capaciteitsgrens van 100 ton per dag wordt overschreden, geldt er voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een dergelijke centrale een m.e.r.-plicht. Deze uitspraak is overigens niet alleen van belang voor de uitleg van C-18.4, maar ook voor de uitleg van onderdeel D, onder 18.1 en 18.7, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: D-18.1 en D-18.7). Daarin wordt gesproken over de verwijdering van afval respectievelijk over (onder meer) de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen. Wat betreft de term “verwijdering van afval” lijkt vanuit communautair perspectief evenmin alleen te kunnen zijn gedoeld op verwijderingshandelingen. Dit onderdeel vormt namelijk de implementatie van bijlage II, onder 11b, bij de m.e.r.-richtlijn (hierna: II-11b m.e.r.-richtlijn). In de omschrijving van II-11b m.e.r.-richtlijn is geen koppeling aangebracht met de Kaderrichtlijn afvalstoffen, waardoor een autonome invulling van het begrip “verwijdering van afvalstoffen” moet worden gegeven.

6.         De wijze waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen, roept overigens wel vragen op. Het aan de orde zijnde juridische twistpunt is niet technisch van aard is, waardoor inschakeling van de StAB niet in de rede lag. Het lijkt mij primair een taak voor de rechtbank zelf om te achterhalen welke bedoeling de gemeenschapswetgever met een bepaalde rechtsregel heeft gehad en of er ter zake daarvan relevante jurisprudentie is. Dit is om het zo maar te zeggen “voer voor juristen”. Thans heeft de StAB de juridische analyse verricht. Hoewel ik de StAB-analyse grotendeels onderschrijf, valt daar op punten wel wat op af te dingen, bijvoorbeeld op de door haar getrokken conclusie dat uitgaande van de oorspronkelijke (engelstalige) tekst van de m.e.r.-richtlijn de m.e.r.-plicht uitsluitend van toepassing zou zijn op verwijderingshandelingen (zie r.o. 4.1). Die conclusie is gebaseerd op het feit dat in I-10 m.e.r.-richtlijn door de wijzing van de m.e.r.-richtlijn in 1997 voor het onderdeel “chemische behandeling van ongevaarlijke afvalstoffen” een rechtstreekse koppeling is aangebracht met de Kaderrichtlijn afvalstoffen (anders dan de StAB stelt was deze koppeling er niet in de oorspronkelijk uit 1985 daterende richtlijn). Die koppeling bestaat nog steeds, zij het dat de redactie van het desbetreffende deel van I-10 m.e.r.-richtlijn is aangepast aan de thans geldende Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zoals ook uit het arrest van het Hof van Jusitie uit 2006 volgt, is er geen grond voor de door de StAB geponeerde stelling dat uit de oorspronkelijke tekst van de m.e.r.-richtlijn zou volgen dat de m.e.r.-plicht uitsluitend van toepassing was op verwijderingshandelingen (en dus niet op handelingen voor nuttige toepassing). De rechtbank heeft de gehele analyse van de StAB tot de hare gemaakt, waarbij is uitgegaan van de door de rechtbank verwoorde regel dat de bestuursrechter op grond van vaste jurisprudentie een door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Zeker in een situatie waarin de StAB een juridische analyse heeft verricht, lijkt het mij echter bepaald niet zo te zijn dat een bestuursrechter die analyse in beginsel dient te volgen. Die analyse kan hooguit als informatiebron voor de bestuursrechter dienen.

7.         In deze aflevering is ook de uitspraak ABRvS 29 januari 2014, nr. 201206964/1/R4 opgenomen. Deze uitspraak heeft betrekking op het bestemmingsplan “Eska Power”. Daarin is voorzien in de mogelijkheid tot oprichting van een rejectvergassingsinstallatie ten behoeve van een bestaande kartonfabriek van Eska Power. In de planregels is vastgelegd dat de maximumcapaciteit van de rejectvergassingsinstallatie 84 ton per dag bedraagt. Rejecten zijn niet-gevaarlijke afvalstoffen die bestaan uit reststoffen die vrijkomen in het karton- en papierfabricageproces. Via een  vergassingstechniek kunnen de rejecten - via verbranding - thermische energie in de vorm van stoom opleveren. Het verbranden van rejecten uit de papier- en kartonindustrie kan worden gezien als een vorm van nuttige toepassing.

8.         De Afdeling beschouwd de rejectvergassingsinstallatie als een installatie bestemd voor de verbranding van niet-gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in C-18.4. De Afdeling kent kennelijk geen betekenis toe aan het feit dat de verbranding van rejecten in een rejectvergassingsinstallatie kan worden gezien als een vorm van nuttige toepassing en niet als een verwijderingshandeling. Dat is geheel in lijn met het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland.

9.         Omdat de maximale capaciteit van de rejectvergassingsinsallatie in de planregels is gemaximaliseerd tot 84 ton per dag, wordt de drempel in kolom 2 van C-18.4 niet overschreden en concludeert de Afdeling in zoverre dat er geen sprake is van een m.e.r.-plicht. In beroep was aangevoerd dat in de regels van een bestemmingsplan geen maximumcapaciteit voor de vergassingsinstallatie had mogen worden opgenomen, onder meer omdat dat niet ruimtelijke relevant zou zijn en een dergelijke regel niet handhaafbaar zou zijn. De Afdeling overweegt dienaangaande dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat de maximumcapaciteit in de planregels wordt vastgelegd en dat zo’n regel ruimtelijk relevant kan zijn. Dit is een helder oordeel, waarmee de praktijk is gediend. Door de capaciteit van een installatie in de planregels te beperken, wordt de onderzoeklast eveneens ingeperkt in situaties waarin de feitelijke capaciteit van die installatie groter is.

10.       Na de constatering dat C-18.4 niet van toepassing is, toetst de Afdeling aan D-18.7. Daarin is als activiteit in kolom 1 opgenomen “de wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen”. Ingevolge kolom 2 geldt een drempelwaarde van 50 ton of meer per dag. De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan voorziet in de oprichting van een nieuwe rejectvergassingsinstallatie en niet in een wijziging of uitbreiding van een installatie. Om die reden valt deze installatie volgens de Afdeling niet onder D-18.7.

11.       Met de constatering dat de rejectvergassingsinstallatie niet m.e.r.-plichtig is op basis van de onderdelen C-18-4 en D-18.7, is de kous niet af. De Afdeling overweegt dat nu de “bedoelde drempels indicatieve waarden zijn”, de raad zich er van moet vergewissen of het plan ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben en zulks moet motiveren. Deze passage roept vragen op. Uit art. 2 lid 5 Besluit m.e.r. volgt dat de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. indicatief zijn. De drempelwaarden in onderdeel C van die bijlage zijn evenwel absoluut. Toch lijkt de Afdeling te doelen op C-18.4. De rejectvergassingsinstallatie is immers een activiteit die past binnen de omschrijving van de activiteit in kolom 1 van C-18.4. Daarentegen is de oprichting van die installatie geen activiteit – zo zegt de Afdeling zelf – als bedoeld in kolom 1 van D-18.7. Die categorie is dus niet van toepassing is, waardoor de in kolom 2 opgenomen drempelwaarde niet in beeld komt.

12.       Kennelijk acht de Afdeling het in strijd met de m.e.r.-richtlijn indien de oprichting van een bmec met een capaciteit van minder dan 100 ton per dag, onder vigeur van het Besluit m.e.r. niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig kan zijn. Dat lijkt mij niet zonder grond, aangezien in II-11b m.e.r.-richtlijn wordt gesproken over de “verwijdering van afval” zonder dat daarbij een drempel is opgenomen. Zoals ik hiervoor aangaf moet worden aangenomen dat onder de term “verwijdering van afval” ook de verbranding van afval als vorm van nuttige toepassing moet worden begrepen. In plaats van de door de Afdeling gekozen benaderingswijze had de Afdeling ook de optie kunnen kiezen waarin de oprichting van een bmec zou worden begrepen onder onderdeel D, onder 18.1, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: D-18.1). Daarin wordt in de activiteitomschrijving (in kolom 1) omschreven de “oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7)”. De oprichting van een (nieuwe) installatie voor het verbranden van niet-gevaarlijke afvalstoffen valt niet binnen de activiteitomschrijving van D-18.7, waardoor verdedigbaar is dat die activiteit binnen de reikwijdte van D-18.1 valt. In dat geval zou voor het voorliggende bestemmingsplan een plan-m.e.r.-plicht hebben bestaan (in D-18.1 is eveneens een capaciteitsdrempel van 50 ton per dag opgenomen). De Afdeling kiest dus een andere weg, zonder die goed te motiveren. Zo’n motivering zou geweest kunnen zijn dat de vergewisplicht voortvloeit uit de rechtstreekse toepassing van de m.e.r.-richtlijn. Nu die motivering niet wordt gegeven, wordt ten onrechte ten minste de suggestie gewekt dat de drempelwaarden in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet zonder meer absoluut zijn.

13.       De consequentie van de door de Afdeling gekozen benaderingswijze is dat er niet automatisch een plan-m.e.r.-plicht voor het bestemmingsplan “Eska Power” geldt (zoals dat wel het geval was geweest indien D-18.1 zou zijn “toegepast”), maar dat had moeten worden onderzocht of er vanwege de mogelijk optredende aanzienlijke milieugevolgen toch een (plan-)MER had moeten worden gemaakt. De gemeenteraad heeft in dat verband gesteld dat die aanzienlijke milieugevolgen niet zijn te verwachten. Daarbij is verwezen naar de project-m.e.r.-beoordeling die heeft plaatsgevonden voor de omgevingsvergunning zoals die voor de rejectvergassingsinstallatie is verleend. Uit die beoordeling volgt dat er voor de voorziene ontwikkeling geen alternatieven zijn en dat ten gevolge van de ontwikkeling geen significante negatieve effecten op de omgeving te verwachten zijn. De Afdeling gaat in het betoog van de gemeenteraad mee. Daarbij wordt nog overwogen dat appellanten geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die twijfel oproepen over het standpunt van de raad dat het op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn is uitgesloten dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkeling belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. De eindconclusie is dat er voor het bestemmingsplan geen plan-m.e.r.-verplichting bestond.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier en hier.