Annotatie HvJEU 11 februari 2015, nr. C-531/13, M en R 2015/73

Essentie

Bijlage I-14 bij de m.e.r.-richtlijn ziet niet op exploratieboringen ter zake van aardgas en aardolie. Voor zover dergelijke boringen zijn te beschouwen als diepboringen worden ze wel begrepen onder categorie bijlage II-2d bij de m.e.r.-richtlijn. In het kader van de m.e.r.-beoordeling komt betekenis toe aan cumulatieve milieueffecten vanwege andere projecten. Bij cumulatie behoeft het niet om soortgelijke projecten te gaan. Het is niet toegestaan om het cumulatiecriterium te verengen tot bijvoorbeeld projecten binnen dezelfde gemeente.

Samenvatting

Punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een exploratieboring waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, juncto punt 2, onder d, van bijlage II bij die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om een diepboring, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exploratieboring, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, uit die bepaling kan voortvloeien. De bevoegde nationale autoriteiten moeten derhalve in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. In dit verband moet met name worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om gelijksoortige projecten. Verder mag de beoordeling naar cumulatieve effecten niet afhangen van de gemeentegrenzen.


Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB L 140, blz. 114; hierna: „richtlijn 85/337”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Marktgemeinde Straßwalchen (gemeente Straßwalchen) en 59 andere verzoekers in het hoofdgeding, enerzijds, en de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend, anderzijds, over een besluit waarbij aan Rohöl‑Aufsuchungs AG een vergunning is verleend om op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen een exploratieboring te verrichten.

 Toepasselijke bepalingen

  Unierecht

 3        Artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 85/337 luidt:

 „1.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

 2.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:

 a)      door middel van een onderzoek per geval,

 of

 b)      aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,

 of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

 De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.”

 4        Bijlage I bij richtlijn 85/337, met als titel „In artikel 4, lid 1, bedoelde projecten”, bepaalt in punt 14:

 „Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m³ aardgas per dag bedraagt.”

 5        Bijlage II bij richtlijn 85/337, met als titel „In artikel 4, lid 2, bedoelde projecten”, bepaalt in punt 2, onder d):

 „Extractieve bedrijven

 [...]

 d)      Diepboringen met name

 –        geothermische boringen,

 –        boringen in verband met de opslag van kernafval,

 –        boringen voor watervoorziening,

 met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.”

 6        Bijlage III bij richtlijn 85/337, met als titel „In artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria”, luidt:

 „1.      Kenmerken van de projecten

 Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

 –        de omvang van het project,

–        de cumulatie met andere projecten,

 –        het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

 –        de productie van afvalstoffen,

 –        verontreiniging en hinder,

 –        risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

 2.      Plaats van de projecten

 Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

–        het bestaande grondgebruik,

 –        de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,

 –        het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

 a)      wetlands,

 b)      kustgebieden,

 c)      berg‑ en bosgebieden,

 d)      reservaten en natuurparken,

 e)      gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG,

 f)      gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

 g)      gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

 h)      landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

 3.      Kenmerken van het potentiële effect

 Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:

 –        het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),

 –        het grensoverschrijdende karakter van het effect,

 –        de orde van grootte en de complexiteit van het effect,

 –        de waarschijnlijkheid van het effect,

 –        de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.”

  Oostenrijks recht

 7        Bijlage 1 bij het Umweltverträglichkeitsprüfungsgesetz 2000 (wet van 2000 inzake milieueffectbeoordelingen, BGBl. nr. 697/1993), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. I nr. 87/2009; hierna: „UVP‑G”), bepaalt:

 „In de bijlage zijn de projecten vermeld waarvoor een milieueffectbeoordeling ingevolge § 3 verplicht is.

 In kolom 1 en 2 staan de projecten die in ieder geval aan een milieueffectbeoordeling (kolom 1) of een vereenvoudigde beoordelingsprocedure (kolom 2) moeten worden onderworpen. Bij in bijlage 1 genoemde wijzigingen dienen de projecten per geval te worden beoordeeld zodra de genoemde drempelwaarde is bereikt; anders geldt § 3a, leden 2 en 3, behalve als het uitdrukkelijk uitsluitend gaat om de ‚nieuwbouw’, de ‚nieuwe aanleg’ of de ‚nieuwe ontsluiting’.

In kolom 3 staan de projecten waarvoor alleen in bijzondere gevallen een milieueffectbeoordeling verplicht is. Voor deze projecten dient vanaf de genoemde minimumdrempels een beoordeling per geval plaats te vinden. Indien uit deze beoordeling een verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling voortvloeit, dient de vereenvoudigde procedure te worden gevolgd.

De in kolom 3 genoemde categorieën van te beschermen gebieden worden in bijlage 2 gedefinieerd. Wat de verplichting tot milieueffectbeoordeling van een project betreft hoeft echter alleen rekening te worden gehouden met de gebieden van de categorieën A, C, D en E, als deze op de dag van indiening van het verzoek zijn aangewezen.

 [...]

Milieueffectbeoordeling (MEB)

MEB volgens de vereenvoudigde procedure

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

29

a) productie van aardolie of aardgas met een capaciteit van minimaal 500 t/d aardolie per boorgat en van minimaal 500 000 m3/d aardgas per boorgat;

b) [...]

c) productie van aardolie of aardgas in te beschermen gebieden van categorie A met een capaciteit van minimaal 250 t/d aardolie per boorgat en van minimaal 250 000 m3/d aardgas per boorgat;

d) [...]

(hoeveelheden resp. volume-informatie bij atmosferische druk).”

 

8        § 1 van het Mineralrohstoffgesetz 1999 (wet van 1999 inzake minerale grondstoffen, BGBl. I nr. 38/1999), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. I nr. 111/2010; hierna: „MinroG”), bepaalt:

„In de onderhavige bondswet wordt verstaan onder:

1.      ‚opsporen’: elke directe en indirecte zoektocht naar mineralen inclusief de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden alsmede het ontsluiten en onderzoeken van natuurlijke mineraalbestanden en van verlaten afvalbergen die mineralen bevatten, ter vaststelling van de ontginningsmogelijkheden.

2.      ‚winnen’: het losmaken of vrijmaken (ontginning) van mineralen en de daarmee verband houdende voorbereidende, bijkomende en aansluitende werkzaamheden;

[...]”

9        § 119 MinroG, met als titel „Vergunningverlening voor mijnbouwinstallaties”, bepaalt in lid 1:

„Voor de totstandbrenging (bouw) van bovengrondse mijnbouwinstallaties alsmede van vanaf het aardoppervlak bereikbare tunnels, schachten, boringen met boorputten vanaf 300 m diepte en boorgaten vanaf 300 m diepte ten behoeve van de mijnbouw moet bij de bevoegde overheidsinstantie een vergunning worden aangevraagd. [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Bij besluit van de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend van 29 augustus 2011 is op grond van § 119 MinroG aan Rohöl‑Aufsuchungs AG een vergunning verleend om op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen een exploratieboring tot 4150 meter diep te verrichten, zonder die boring aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen. Tegen dat besluit is door de Marktgemeinde Straßwalchen en 59 andere verzoekers beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof.

11      Blijkens de verwijzingsbeslissing ziet de litigieuze vergunning op verschillende werkzaamheden en activiteiten, met name de uitvoering van de voor de boorinstallatie noodzakelijke werkzaamheden en, bij mislukking van de exploratie, het herstel van het terrein.

12      Voor het geval dat koolwaterstof wordt aangetroffen, heeft Rohöl‑Aufsuchungs AG een vergunning voor een testproductie van aardgas met een totale hoeveelheid van maximaal 1 000 000 m3 verkregen om zich te vergewissen van de rentabiliteit van de boring. Volgens de verwijzende rechter wordt een winning verwacht van 150 000 m3 à 250 000 m3 gas per dag en ten hoogste 150 m3 aardolie en 18 900 m3 geassocieerd aardgas per dag. De aldus gewonnen koolwaterstof wordt nabij de boorlocatie afgefakkeld. Er is niet voorzien in een aansluiting op een hogedrukleiding voor aardgas.

13      Verzoekers in het hoofdgeding betwisten de geldigheid van de betrokken vergunning, met name omdat de exploratieboring overeenkomstig punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aan een milieueffectbeoordeling had moeten worden onderworpen. Dat punt bepaalt dat de winning van aardolie en aardgas aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen wanneer zij „voor commerciële doeleinden” gebeurt en voorts de gewonnen hoeveelheid de in dat punt vermelde drempelwaarden overschrijdt.

14      De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of een exploratieboring „voor commerciële doeleinden” wordt verricht wanneer daarmee slechts wordt beoogd de winstgevendheid van een vindplaats na te gaan. Voorts is hij van oordeel dat de totale hoeveelheid koolwaterstof die in dat verband kan worden gewonnen betrekkelijk gering is, aangezien de hoeveelheid aardgas voor de winning waarvan in casu een vergunning is verleend, beperkt is tot slechts tweemaal de in punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 vastgestelde drempelwaarde per dag.

15      Het Verwaltungsgerichtshof merkt in de tweede plaats op dat, wanneer wordt aangenomen dat exploratieboringen worden verricht voor commerciële doeleinden in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337, de verwachte gewonnen hoeveelheid koolwaterstof per dag onder de in het UVP‑G vastgestelde drempelwaarden blijft vanaf welke voor een project een milieueffectbeoordeling verplicht is. Voor de betrokken vergunning is immers geen rekening gehouden met de bij de andere boringen in de regio gewonnen koolwaterstof, maar is alleen uitgegaan van de exploratieboring waarvoor Rohöl‑Aufsuchungs AG om een vergunning had verzocht.

16      Het Verwaltungsgerichtshof wijst erop dat die benadering in overeenstemming is met het Oostenrijkse recht, aangezien volgens punt 29, onder a), van bijlage 1 bij het UVP‑G rekening moet worden gehouden met de „per boorgat” gewonnen hoeveelheid aardolie en aardgas om te bepalen of een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd. Aangezien punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 geen dergelijke precisering bevat, moet echter worden nagegaan of die bepaling door de Oostenrijkse wetgever correct is omgezet.

17      De verwijzende rechter vraagt zich in de derde plaats af of de Oostenrijkse autoriteiten bij de verlening van de vergunning voor de betrokken exploratieboring rekening moesten houden met de cumulatieve effecten van alle „gelijksoortige” projecten. Hij merkt in dat verband op dat er op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen ongeveer 30 boorgaten voor de productie van aardgas bestaan waarmee de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend geen rekening heeft gehouden in het bestreden besluit, terwijl uit de arresten Umweltanwalt von Kärnten (C‑205/08, EU:C:2009:767, punt 53) en Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C‑275/09, EU:C:2011:154, punt 36) blijkt dat de doelstelling van richtlijn 85/337 niet mag worden gefrustreerd door de opsplitsing van projecten.

18      Gelet op deze overwegingen heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Gaat het bij de in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas plaatsvindt, om een ‚commerciële winning van [...] aardgas’ conform punt 14, van bijlage I bij [richtlijn 85/337]?

Voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, worden de volgende verdere vragen gesteld:

2)      Verzet punt 14, van bijlage I bij richtlijn 85/337 zich tegen een nationale regeling die bij de winning van aardgas de in punt 14, van bijlage I bij richtlijn 85/337 genoemde drempelwaarden niet verbindt met de winning op zich, maar met de ‚productie per boorgat’ (‚Forderung pro Sonde’)?

3)      Dient richtlijn 85/337 aldus te worden uitgelegd dat de overheidsinstantie in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de vergunning voor een testproductie van aardgas wordt aangevraagd in het kader van een exploratieboring, uitsluitend alle gelijksoortige projecten, concreet alle in het gemeentegebied ontsloten boringen, dient te toetsen met betrekking tot het cumulatieve effect ervan om vast te stellen of een verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectbeoordeling bestaat?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

19      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.

20      Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, van die richtlijn, de in bijlage I bij die richtlijn genoemde projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling. Zo moet volgens punt 14 van bijlage I bij die richtlijn de commerciële winning van aardolie en aardgas aan een dergelijke beoordeling worden onderworpen wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m³ aardgas per dag bedraagt.

21      Voorts zij eraan herinnerd dat zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normalerwijs in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van deze bepaling en het nagestreefde doel (zie arrest Edwards en Pallikaropoulos, C‑260/11, EU:C:2013:221, punt 29).

22      Een exploratieboring om de ontginbaarheid en derhalve de winstgevendheid van een vindplaats na te gaan, wordt per definitie inderdaad voor commerciële doeleinden verricht. Zoals de advocaat‑generaal in punt 26 van haar conclusie heeft opgemerkt, zou dit slechts anders zijn voor een boring die louter met het oog op wetenschappelijk onderzoek en niet ter voorbereiding van een economische activiteit wordt verricht.

23      Evenwel volgt uit de context en de doelstelling van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 volgt dat die bepaling niet van toepassing is op exploratieboringen. Die bepaling verbindt de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten immers aan de hoeveelheid aardolie en aardgas waarvan de winning is gepland. Daartoe voorziet zij in drempelwaarden die per dag moeten worden overschreden, wat erop wijst dat zij ziet op projecten van een bepaalde duur die het mogelijk maken om onafgebroken betrekkelijk grote hoeveelheden koolwaterstof te winnen.

24      In dit verband zij opgemerkt dat de toepassing van de criteria van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 op exploratieboringen op zich slechts weinig zin zou hebben, aangezien de bij die bepaling vastgestelde drempelwaarde voor de winning van aardolie 500 ton per dag bedraagt en voor de winning van aardgas 500 000 m³ per dag, terwijl, zoals blijkt uit het in het hoofdgeding bestreden besluit, op grond waarvan een totale hoeveelheid van slechts één miljoen m3 aardgas mag worden ontgonnen, de voor een exploratieboring vastgestelde beperking geen verband houdt met een dergelijke drempelwaarde.

25      Voorts volgt uit de zowel in de verwijzingsbeslissing als ter terechtzitting gegeven toelichtingen dat voorafgaand aan een exploratieboring niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk koolwaterstof aanwezig is. Een dergelijke boring wordt verricht om de aanwezigheid van koolwaterstof aan te tonen en, in voorkomend geval, om de hoeveelheid ervan te bepalen en door middel van een testproductie na te gaan of die koolwaterstof commercieel ontginbaar is. Derhalve kan alleen aan de hand van een exploratieboring de hoeveelheid koolwaterstof worden bepaald die per dag kan worden gewonnen. Bovendien zijn de hoeveelheid koolwaterstof waarvan de winning is gepland bij een dergelijke testproductie en de duur van die testproductie beperkt tot wat technisch noodzakelijk is om de ontginbaarheid van een vindplaats aan te tonen.

26      Die uitlegging vindt voorts steun in de systematiek van richtlijn 85/337. Punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn kan immers van toepassing zijn op exploratieboringen, zodat niet alle exploratieboringen zonder meer buiten de werkingssfeer van die richtlijn vallen.

27      In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 85/337 door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria bepalen of de projecten die onder bijlage II bij die richtlijn vallen, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen.

28      Tot die projecten behoren onder meer de in punt 2, onder d), van die bijlage genoemde diepboringen, met name geothermische boringen, boringen in verband met de opslag van kernafval en boringen voor watervoorziening, met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

29      Uit de formulering van die bepaling volgt dat zij geen exhaustieve opsomming geeft van de verschillende soorten boringen waarop zij ziet, maar dat alle diepboringen binnen de werkingssfeer ervan vallen, met uitzondering van diepboringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

30      Derhalve vallen exploratieboringen onder punt 2, onder d), van bijlage II bij richtlijn 85/337 voor zover zij diepboringen zijn.

31      In casu zij opgemerkt dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, die erop gericht is de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats vast te stellen en tot 4150 meter diep kan gaan, een diepboring in de zin van punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn is.

32      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.

Tweede vraag

33      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

34      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat om vast te stellen of een exploratieboring als in het hoofdgeding aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de bevoegde instantie slechts rekening moet houden met de cumulatieve effecten van gelijksoortige projecten, in casu volgens de verwijzende rechter alle in het gemeentegebied ontsloten boringen.

35      Aangezien deze vraag enkel wordt gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, gaat de verwijzende rechter – zoals de advocaat generaal in punt 47 van haar conclusie heeft opgemerkt – er blijkbaar van uit dat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten in de bij hem aanhangige zaak enkel kan worden gebaseerd op artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337 juncto punt 14 van bijlage I bij die richtlijn.

36      Dat uitgangspunt is echter verkeerd, aangezien – zoals blijkt uit de punten 27 en 30 van het onderhavige arrest – die verplichting kan voortvloeien uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn.

37      Evenwel staat het in de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking nemen die door de nationale rechter in zijn vraag niet zijn genoemd.

38      Bijgevolg moet de derde vraag worden beantwoord in het licht van de verplichtingen die kunnen voortvloeien uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn.

39      In punt 27 van het onderhavige arrest is eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria moeten bepalen of de projecten die onder bijlage II bij die richtlijn vallen, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen.

40      Met betrekking tot de vaststelling van die drempelwaarden of criteria zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 85/337 de lidstaten dienaangaande weliswaar een beoordelingsmarge verleent, maar dat een dergelijke beoordelingsmarge wordt begrensd door de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn vermelde verplichting om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien de aard, omvang of ligging ervan, aan een beoordeling van dat effect te onderwerpen (arrest Salzburger Flughafen, C‑244/12, EU:C:2013:203, punt 29).

41      Aldus hebben de in artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 85/337 vermelde criteria en drempelwaarden tot doel de beoordeling van de concrete kenmerken van een project te vergemakkelijken, teneinde te bepalen of dat project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen (arrest Salzburger Flughafen, EU:C:2013:203, punt 30).

42      De bevoegde nationale autoriteiten waarbij een aanvraag voor een vergunning voor een project als bedoeld in bijlage II bij die richtlijn is ingediend, moeten bijgevolg in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij die richtlijn, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden (zie in die zin arrest Mellor, C‑75/08, EU:C:2009:279, punt 51).

43      In dit verband volgt uit punt 1 van die bijlage III dat bij de kenmerken van een project in het bijzonder de cumulatieve effecten van dat project en andere projecten in overweging moeten worden genomen. Wanneer het cumulatieve effect van een project en andere projecten buiten beschouwing zou worden gelaten, kan dit in de praktijk immers tot gevolg hebben dat dit project aan de beoordelingsverplichting wordt onttrokken, hoewel het in samenhang met andere projecten een aanzienlijk milieueffect kan hebben (zie in die zin arrest Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a., EU:C:2011:154, punt 36).

44      Dat vereiste moet worden gezien in het licht van punt 3 van bijlage III bij richtlijn 85/337, op grond waarvan bij de potentiële aanzienlijke effecten van een project in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 van die bijlage in het bijzonder in overweging moeten worden genomen de waarschijnlijkheid, het bereik, de orde van grootte, de duur en de omkeerbaarheid van het effect van dat project.

45      Bijgevolg staat het aan een nationale instantie wanneer zij nagaat of een project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, om het effect te onderzoeken dat dit project samen met andere projecten kan hebben. Voorts is die verplichting bij het ontbreken van een precisering niet beperkt tot gelijksoortige projecten. Zoals de advocaat‑generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet bij dat voorafgaand onderzoek worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten.

46      Voorts zij eraan herinnerd dat de nuttige werking van richtlijn 85/337 namelijk ernstig in het gedrang zou komen indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de beslissing of van een project een milieueffectbeoordeling moet worden gemaakt, het deel dat in een andere lidstaat moet worden uitgevoerd, konden negeren (arrest Umweltanwalt von Kärnten, EU:C:2009:767, punt 55). Om dezelfde redenen mag de effectbeoordeling van andere projecten niet afhangen van de gemeentegrenzen.

47      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om een diepboring, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exploratieboring, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, uit die bepaling kan voortvloeien. De bevoegde nationale autoriteiten moeten derhalve in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij die richtlijn, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. In dit verband moet met name worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten. Die beoordeling mag niet afhangen van de gemeentegrenzen.

 Kosten

48      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)         Punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.

2)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om een diepboring, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exploratieboring, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, uit die bepaling kan voortvloeien. De bevoegde nationale autoriteiten moeten derhalve in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. In dit verband moet met name worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten. Die beoordeling mag niet afhangen van de gemeentegrenzen.


Annotatie M.A.A. Soppe


1.         In het kader van de discussies over schaliegaswinning is onder meer de vraag aan de orde geweest of er voorafgaande aan de exploratie en exploitatie van schaliegas per definitie een project-MER moet worden gemaakt. In paragraaf 1.1 van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER Structuurvisie Schaliegas (d.d. 2 mei 2014) wordt door het ministerie van EZ aangegeven dat voor concrete initiatieven voor de opsporing en de winning van schaliegas steeds een project-MER moet worden opgesteld. In reactie daarop heeft de commissie voor de milieueffectrapportage onderbouwd waarom deze uitspraak niet juist is. Zie paragraaf 7.2.2 van haar advies over de reikwijdte en het detailniveau van de Structuurvisie Schaliegaswinning, 9 september 2014, rapportnummer 2888-26, te raadplegen via www.commissiemer.nl. Zelfs voor de winning van schaliegas is ingevolge het Besluit m.e.r. niet per definitie verzekerd dat er een project-MER nodig is. Gezien de gevoeligheden rond het schaliegasdossier, lijkt het niet onverstandig om het Besluit m.e.r. zodanig te wijzigen dat boven iedere twijfel verheven is dat zowel de exploratie als de exploitatie van schaliegas project-m.e.r.-plichtige activiteiten zijn. Daarmee zou overigens gehoor worden gegeven aan de door de Europese Commissie in 2014 gedane aanbevelingen ter zake van schaliegasboringen. Zie uitgebreid over deze aanbevelingen M.M. Roggenkamp en H.D. Boekholt, Schaliegas: hoeveel houvast biedt de Aanbeveling van de Europese Commissie voor effectieve gezondheids- en milieubescherming en de ontwikkeling van onconventioneel gas?, M en R 2014/66 (m.n. paragraaf 4.2.2). Daaruit blijkt onder meer dat de aanbevelingen geen juridische binding impliceren. Mede om die reden is het interessant om te weten welke eisen voortvloeien uit de m.e.r.-richtlijn en of die richtlijn wellicht dwingt tot aanpassing van het Besluit m.e.r. Die verplichting is er in ieder geval niet wat betreft de winning van schaliegas. Uit bijlage I-14 m.e.r.-richtlijn volgt dat er een project-m.e.r.-plicht geldt indien er sprake is van een winning van meer dan 500 ton aardolie of meer dan 500.000 m3 aardgas per dag. Onderdeel C-17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. stemt daarmee overeen. Bijlage I bij de m.e.r.-richtlijn bevat geen specifieke categorie voor de opsporing van aardolie of aardgas, waaronder begrepen schaliegas. In het onderhavige arrest maakt het Hof voorts duidelijk dat deze activiteit niet ook wordt begrepen onder bijlage I-14, ongeacht de vraag of de opsporing een commercieel karakter heeft en wellicht kan leiden tot een (incidentele) overschrijding van de drempelwaarde (hoewel die overschrijding door het Hof onwaarschijnlijk wordt geacht).

2.         Ook bij de opsporing van aardgas (en zeker bij schaliegas) zullen doorgaans diepboringen worden verricht. Het Hof wijst er op dat deze diepboringen worden begrepen onder categorie bijlage II-2d m.e.r.-richtlijn. Dat betekent dat er in het kader van de vergunningverlening voor een exploratiediepboring een project-MER moet worden gemaakt voor zover die diepboring een aanzienlijk milieueffect kan hebben. Vastgesteld kan worden dat dit onderdeel van de m.e.r.-richtlijn eveneens correct is geïmplementeerd, te weten in D-17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De m.e.r.-richtlijn noopt derhalve niet tot een wijziging van het Besluit m.e.r. Daar brengt de op 16 mei 2014 vastgestelde en voor 17 mei 2017 te implementeren herziening van deze richtlijn (Richtlijn 2014/52/EU, PbEU 2014 L124, p. 1 e.v.) geen verandering in. Die herziening heeft de werkingssfeer van de m.e.r.-richtlijn ongemoeid gelaten, waardoor het hier besproken arrest ook van belang is onder vigeur van de herziene m.e.r.-richtlijn (zie over de inhoud van de herziening in relatie tot de Nederlandse m.e.r.-regeling het concept implementatiewetsvoorstel en de bijbehorende concept memorie van toelichting d.d. 25 februari 2015; Kenmerk IENM/BSK-2015/38977; beide documenten zijn te downloaden via www.internetconsultatie.nl/herziening_merrichtlijn).

3.         Het is enigszins opvallend dat de herziening van de m.e.r.-richtlijn uiteindelijk niet heeft geleid tot het daarin opnemen van een verplichting dat voorafgaande aan de exploratie en exploitatie van schaliegas per definitie een project-MER moet worden gemaakt. Niet alleen gelet op de hiervoor aangehaalde aanbevelingen van de Europese Commissie, maar ook gelet op het feit dat in het kader van de voorbereiding van de herziening nadrukkelijk door het Europees Parlement is aangegeven om de drempelwaarde in bijlage I-14 m.e.r.-richtlijn (deels) te schrappen. Zie hierover W.Th. Douma, Enige Europeesrechtelijke aspecten van schaliegaswinning, NtEr 2014, nr. 1, pp. 50-51. Het voorstel van het Europees Parlement heeft uiteindelijk geen voldoende draagvlak gevonden  bij de EU-Ministerraad.

4.         In het onderhavige arrest bevestigt het Hof dat in het kader van een m.e.r.-beoordeling rekening moet worden gehouden met cumulatieve effecten van andere projecten. Dat vloeit voort uit art. 4 lid 3 m.e.r.-richtlijn. Daarin is neergelegd dat bij het bepalen of een project in bijlage II bij de m.e.r.-richtlijn een aanzienlijk milieueffect kan hebben, acht moet worden geslagen op de relevante selectiecriteria in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Tot die criteria behoort “de cumulatie met andere projecten”. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak kent in voorkomende gevallen nadrukkelijk betekenis toe aan dit criterium. Illustratief in dat verband is de uitspraak ABRvS 3 juli 2013, M en R 2013/127 (zie ook punt 4 van de bijbehorende annotatie van Soppe/Gundelach). Wat het Hof in casu nog duidelijk maakt is dat het bij cumulatie niet om soortgelijke projecten behoeft te gaan en dat het niet is toegestaan om het cumulatiecriterium te verengen tot bijvoorbeeld projecten binnen dezelfde gemeente. Beide rechtsoordelen lijken mij niet voor kritiek vatbaar.

M.A.A. Soppe

Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.