Annotatie AbRvS 3 juni 2015, nr. 201405542/1/R3, TBR 2015/114

Essentie

M.e.r.-regelgeving strekt niet ter bescherming van belang natuurlijke persoon bij de ontwikkeling van zijn gronden. Een beroep op de m.e.r.-regelgeving stuit in zoverre af op het relativiteitsvereiste.

Samenvatting

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 oktober 2014, in zaak nr. 201307140/1/R1 overweegt de Afdeling dat het doel van de verplichting een plan-MER te maken is om te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen aan de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Het belang van appellant is niet gelegen in een beoordeling van de milieueffecten van dit plan, maar in het verkrijgen van een bestemming op basis waarvan zijn gronden kunnen worden ontwikkeld. De ingeroepen bepalingen met betrekking tot het maken van een plan-MER, zoals artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van appellant, zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet om die reden af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

Uitspraak


Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[…]


Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actualisatie van de planologische regeling voor het gebied dat is gelegen aan de westrand van Tilburg naast de woonwijk de Reeshof. Het plan is conserverend en bevat geen nieuwe ontwikkelingen bij recht.

De gronden van [appellant] liggen in het noordelijke deel van het plangebied en hebben de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen - Buitengebied", "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" of "Groen". [appellant] wil op zijn gronden, ook wel de Dalemweide genoemd, een woon-werkgebied ontwikkelen. In dat verband wenst hij langs de Noordwesttangent, die aan de westzijde van het plangebied is gesitueerd, een reeks bedrijfsgebouwen te realiseren met daarachter een rij woningen. Deze woningen zullen dan in het bebouwingslint van de Langendijk komen te liggen.

 […]


Onderzoeken

5. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan, omdat de raad er ten onrechte vanuit is gegaan dat dit plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. De raad heeft nagelaten de benodigde milieuonderzoeken te doen. Er liggen in de nabijheid verscheidene Natura 2000-gebieden, waardoor significante gevolgen door ontwikkelingen in dit plan niet zijn uit te sluiten. Nu er een passende beoordeling had moeten worden gemaakt, had ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER) moeten worden opgesteld. Ook gezien de voorziene ontwikkelingen in het plangebied op de Reeshofweide was een plan-MER vereist. Verder heeft de raad nagelaten te onderzoeken wat de gevolgen van de zogenoemde Noordwesttangent voor het plangebied zijn en is niet inzichtelijk gemaakt hoe de gronden, die verloren zijn gegaan vanwege de aanleg van die weg, zijn gecompenseerd gelet op de in de nabijheid aanwezige ecologische hoofdstructuur. Ook is nagelaten een flora- en faunaonderzoek te doen, terwijl een deel van het plangebied een voormalig foerageergebied van de Taigarietgans was, waarvan een deel verloren is gegaan door de aanleg van de Noordwesttangent.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, nog daargelaten dat het plan geen relevante nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit naar aanleiding van de beroepsgrond dat bepaalde onderzoeken ontbreken. Ten overvloede merkt de raad op dat er voor dit plan geen plan-MER behoeft te worden gemaakt en dat het plangebied ongeveer 7 km is verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zodat significante effecten op dat gebied zijn uitgesloten.

5.2. De Noordwesttangent is mogelijk gemaakt met het bij besluit van 12 oktober 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Noordwesttangent, gedeelte Dalem Zuid-Vossenberg West". Dit plan is bij uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011, zaak nr. 201000557/1/R3, onherroepelijk geworden. De Noordwesttangent is aangelegd en loopt langs de westzijde buiten het plangebied, grenzend aan de gronden van [appellant]. Dit plan voorziet, afgezien van twee ontwikkelingen waarvoor reeds een vrijstelling als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend, niet in nieuwe ontwikkelingen. Gelet op het voorgaande heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien de gevolgen van de Noordwesttangent nader te onderzoeken. Verder is bij de ontwikkeling van deze weg een natuurcompensatieplan opgesteld. De raad heeft onweersproken gesteld dat uit dit natuurcompensatieplan volgt dat de gronden waarop de compensatie heeft plaatsgevonden buiten dit plangebied liggen. Het betoog faalt.

5.3. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.4. Vaststaat dat [appellant] niet woont op zijn gronden in het plangebied noch dat hij daar een bedrijf heeft gevestigd. Het belang waar het [appellant] in deze procedure om gaat is het verkrijgen van een bestemming die de ontwikkeling van een woon-werkgebied op zijn gronden mogelijk maakt.

5.5. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is gemaakt overweegt de Afdeling dat de bepalingen van de Nbw 1998 met name ten doel hebben om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, in zaak nr. 201008514/1/M3, volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Die situatie doet zich hier niet voor. De betrokken normen van de Nbw 1998 strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] waarvoor hij met het door hem ingestelde beroep opkomt, zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijk bespreking van het betoog.

5.6. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 oktober 2014, in zaak nr. 201307140/1/R1 overweegt de Afdeling dat het doel van de verplichting een plan-MER te maken is om te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen aan de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Het belang van [appellant] is, zoals zojuist overwogen, niet gelegen in een beoordeling van de milieueffecten van dit plan. De ingeroepen bepalingen met betrekking tot het maken van een plan-MER, zoals artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant], zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet om die reden af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

5.7. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen flora- en faunaonderzoek heeft plaatsgevonden overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling begrijpt dit betoog van [appellant] zo dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) naar zijn mening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201306580/1/R6) brengt een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Ffw omdat die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is.

De door [appellant] ingeroepen bepalingen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfsplaatsen. Die bepalingen strekken kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant]. Dat belang is er in gelegen dat voor zijn gronden zal worden voorzien in een planregeling die een transformatie van de huidige voornamelijk agrarische gronden naar een woon-werkgebied mogelijk maakt, zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet om die reden af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

[…]

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.


Annotatie A.G.A. Nijmeijer en M.A.A. Soppe

1.         Deze uitspraak betreft de vestiging van een Hornbachfiliaal in Almelo. Het gaat om volumineuze detailhandel. De vaststelling van het bestemmingsplan is niet vooraf gegaan door een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In beroep wordt door zowel natuurlijke personen als door een concurrerende onderneming (Praxis) aangevoerd dat dit wel had gemoeten. De gemeenteraad van Almelo stelt dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste ex art. 8:69a lid 1 Awb. Wat betreft de natuurlijke personen overweegt de Afdeling dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling erop is gericht om vast te stellen of er vanwege mogelijke optredende belangrijke nadelige milieugevolgen een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Die formele procedure is gereguleerd in hoofdstuk 7 Wm. De Afdeling oordeelt dat dit hoofdstuk strekt tot bescherming van het milieu. Het in de Wet milieubeheer gehanteerde milieubegrip is gedefinieerd in art. 1.1 lid 2 sub a Wm. Daaruit volgt dat het milieubegrip mede ziet op het belang van de bescherming van mensen. De Afdeling voegt aan die constatering toe dat dit evenzeer volgt uit de considerans van de m.e.r.-richtlijn. De Afdeling komt vervolgens tot de ons inziens terechte conclusie dat de verplichting om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te maken mede strekt tot bescherming van het belang van de desbetreffende natuurlijke personen die opkomen voor het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Een daarop betrekking hebbende beroepsgrond zal derhalve niet afstuiten op het relativiteitsvereiste. Indien een op de m.e.r.-regelgeving gerichte beroepsgrond van een natuurlijke persoon niet (mede) is ingegeven door het behoud van een goed woon- en leefklimaat, verzet het relativiteitsvereiste zich wel tegen de vernietiging van het bestreden besluit op basis van  die beroepsgrond. Verwezen zij naar de recente uitspraak ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1713 (bestemmingsplan “Stadsrand Dalem-Reefhofsweide 2013” Tilburg). Een natuurlijke persoon had beroep ingesteld tegen een bestemmingsplan onder meer nu naar zijn mening was verzuimd een plan-MER op te stellen. De Afdeling overweegt dat deze appellant weliswaar gronden in het plangebied heeft liggen, maar dat hij daar niet woont en dat het belang van hem uitsluitend is gelegen in het verkrijgen van een bestemming die de ontwikkeling van een woon-werkgebied op zijn gronden mogelijk maakt. De (plan-)m.e.r. regeling strekt volgens de Afdeling niet tot bescherming van dat belang. Reden voor de Afdeling om een inhoudelijke toetsing aan de (plan-)m.e.r.-regelgeving achterwege te laten. Weliswaar ziet de uitspraak van 3 juni 2015 op de plan-m.e.r.-regelingeving, maar de toepassing van het relativiteitsvereiste in het kader van de besluit-m.e.r.- en de plan-m.e.r.-regeling lijkt ons gelijk uit te pakken. Dat wordt bevestigd door ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3554 (bestemmingsplan “Landelijk Gebied Zuid” Bergen) waarin de Afdeling ook voor de plan-m.e.r.-regelgeving oordeelt dat een goed woon- en leefklimaat van een natuurlijk persoon een relevant belang is.

2.         Uit de zojuist genoemde uitspraak ABRvS 1 oktober 2014 volgt dat ook anderen dan natuurlijke personen zich onder omstandigheden in rechte met succes op schending van de m.e.r.-regelgeving beroepen. In die uitspraak komt onder meer de beroepsgrond van de Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl (Stichting BHL) aan de orde inhoudende dat is verzuimd een plan-MER te maken. Onder verwijzing naar art. 1 smb-richtlijn overweegt de Afdeling dat het doel van een plan-m.e.r. is om te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen aan de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen. Vervolgens stelt de Afdeling vast dat het belang van Stichting BHL ingevolge haar statuten is gelegen in het behoud van de cultuurhistorische waarden in het landelijk gebied van de gemeente Bergen (NH) en aangrenzende gebieden in de buurgemeenten. Aangezien in een plan-MER onder meer de mogelijke effecten voor cultuurhistorische waarden moeten worden beschreven, staat het relativiteitsvereiste niet in de weg aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de desbetreffende beroepsgrond van de Stichting. Het oordeel zal naar onze overtuiging niet anders luiden indien in een soortgelijke casus een beroep wordt gedaan op de besluit-m.e.r.-regelgeving. In een besluit-MER moeten de cultuurhistorische waarden evenzeer aan de orde worden gesteld.

3.         De Afdeling laat in de onderhavige zaak in het midden of appellanten die zoals Praxis uit concurrentieoverwegingen beroep instellen, ondanks het relativiteitsvereiste een succesvol beroep kunnen doen op de m.e.r.-regelgeving. Wij denken dat dit laatste niet mogelijk is. In HvJ EU 14 maart 2013, zaaknr. C-240/11, AB 2013/139 (Jutta Leth/Republiek Oostenrijk) heeft het Hof geoordeeld dat vermogensschade vanwege concurrentie niet valt onder de beschermingsdoelstelling van de m.e.r.-richtlijn. Dat is  bij de smb-richtlijn niet anders. Verder bestaat  geen inhoudelijk onderscheid tussen de reikwijdte van art. 1.1 lid 2 onder a Wm en het beschermingsbereik van deze twee Europese richtlijnen. Het genoemde artikellidonderdeel is in de Wm opgenomen teneinde het milieubegrip uit de beide richtlijnen correct te implementeren (zie art. I, onder A, van de Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer (verdere aanpassing aan Europese richtlijnen inzake milieu-effectrapportage), Stb. 2005, 477, uitgebreider hierover de paragrafen 4.2.1, 5.4.6.1 en 5.5.6 in M.A.A. Soppe, Milieueffectrapportage en ruimtelijke ordening, Deventer 2005). Wij verwachten dan ook dat de Afdeling in lijn met het HvJ EU-arrest zal oordelen dat vermogensschade geen deel uitmaakt van het milieubelang uit de Wm en dat een beroep op m.e.r.-regelgeving dat enkel is ingegeven door concurrentiemotieven, daarom zal afstuiten op het relativiteitsvereiste. Anders dan bij een beroep op het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ als bedoeld in art. 3.1 lid 1 Wro – dat volgens ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5093 (Noordoostpolder) in de context van het voorkomen van leegstand ook een ‘goed ondernemersklimaat’ beoogt te beschermen (zie r.o. 17.8 van genoemde uitspraak) – kunnen wij ten aanzien van de m.e.r.-regelgeving geen redenering bedenken op basis waarvan een concurrent, ondanks het relativiteitsvereiste, een geslaagd beroep op die regelgeving kan doen om een besluit in rechte te doen vernietigen. Volledigheidshalve wijzen wij wat betreft de relatie concurrent, relativiteit en Wro op de recente uitspraak ABRvS 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 (bestemmingsplan “Thermen Berendonck”). In die uitspraak is de benadering die door de Afdeling werd gekozen in de zaak ‘Noordoostpolder’ aangescherpt in die zin, dat het enkele risico van leegstand van bedrijfspanden van een concurrent op zichzelf nog geen beroep op een ‘goede ruimtelijke ordening’ door de desbetreffende concurrent rechtvaardigt. In de uitspraak Wijchen wordt namelijk kort gezegd gewezen op de mogelijkheid om leegstaande bedrijfspanden (bouwkundig) geschikt te maken voor andere markten. Tenslotte brengen wij in herinnering dat een beroep op formele aspecten van de besluitvorming (zorgvuldigheid, motivering) noch een beroep op de uitvoerbaarheid van een planologisch besluit soelaas biedt om het relativiteitsvereiste te omzeilen (o.a. ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75 (bestemmingsplan “Noorderhaven”)).

4.        Het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna wordt gesproken over D-11.2 Besluit m.e.r.) is een dermate onbegrensd begrip dat daarover nogal eens discussie ontstaat. Tot voor deze uitspraak was het geen uitgemaakte zaak dat de solitaire vestiging van volumineuze detailhandel met een bvo van 17.000 m2 als een stedelijk ontwikkelingsproject moet worden aangemerkt. Anderzijds volgde uit een aantal andere uitspraken wel dat de Afdeling het begrip ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ ruim pleegt uit te leggen. Zo lijken de bouw van een appartementencomplex met zeventien appartementen, de realisatie van veertien woningen en de realisatie van een muziekcentrum door de Afdeling te worden gezien als stedelijke ontwikkelingsprojecten in de zin van D-11.2 Besluit m.e.r. Zie ABRvS 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1678 (bestemmingsplan “Putstraat 1” Waalwijk), ABRvS 19 december 2013, ECLI:NL:RVS:2012:BY6782 (bestemmingsplan "Balk-Boslust Zuidwest" Gaasterlân-Sleat) respectievelijk ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4377 (bestemmingsplan "De Nobel" Leiden). Deze jurisprudentie is niet alleen van belang voor de toepassing van de m.e.r.-regeling sec, waarover dadelijk meer, maar ook voor de toepassing van de onderdelen 9 en 11 van de kruimgelgevallenlijst in art. 4 van bijlage II bij het Bor. Uit art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor volgt immers dat de onderdelen 9 en 11 niet van toepassing zijn op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De onderdelen 9 en 11 zien - kort gezegd - op het aan bestaande gebouwen toekennen van andere gebruiksfuncties respectievelijk op het tijdelijk afwijkend gebruik van gronden en/of bouwwerken. Bij de transformatie van gebouwen (van bijvoorbeeld kantoren naar huisvesting) valt gezien de vorenbedoelde jurisprudentie niet uit te sluiten dat het daarbij gaat om een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in D-11.2 Besluit m.e.r. Dat heeft dan tot gevolg dat voor het afwijken van het bestemmingsplan moet worden teruggevallen op art. 2.12 lid 1 onder a, sub 3 Wabo en dat alsdan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Wij wijzen er daarbij op dat art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor uitsluitend spreekt over activiteiten en niet ook over gevallen. Dit impliceert dat zodra een activiteit kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject de kruimelgevallenregeling niet meer kan worden toegepast (dat geldt dus ook wanneer de (vrij forse) drempel in kolom 2 van D-11.2 niet wordt overschreden). Zie voor discussie daarover K.L. Markerink en R.G.M. Louwes, De kruimelgevallenregeling in Bijlage II van het Bor en substantiële milieugevolgen en het daarbij gegeven naschrift van E.A. Minderhoud en D.B. Stadig, TBR 2015/25. De juistheid van de stelling van Minderhoud en Stadig dat art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor zo moet worden uitgelegd dat deze enkel van toepassing is wanneer de drempelwaarde in kolom 2 van D-11.2 wordt overschreden dan wel wanneer de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, wordt door ons bestreden. De door Minderhoud en Stadig gegeven motivering lijkt vooral  ingegeven door de door hen beoogde  ruime werkingssfeer van de kruimelgevallenlijst en wordt niet zozeer gedragen door een juridische argumentatie. Een dergelijke argumentatie is nodig nu de Afdeling in ABRvS 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4511 (Wm-vergunning windturbinepark Ecofactorij Apeldoorn) expliciet (in r.o. 2.5) heeft geoordeeld dat wanneer in een wettelijke bepaling enkel wordt verwezen naar de activiteiten in de bijlage bij het Besluit m.e.r., er niet tevens is gedoeld op de “bij die activiteit in kolom 2 genoemde gevallen”. Daarbij komt dat in de nota van toelichting (Stb. 2014, 333, p. 58) over art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor wordt opgemerkt dat bij het formuleren ervan “is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit. Dit is geregeld in de kolommen 2 en 4 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit mer. Ook is ingeval van een mer-beoordelingsplicht geabstraheerd van de vraag of het bevoegd gezag ook feitelijk heeft besloten dat een MER moet worden gemaakt. Hiermee wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijk criterium geboden om te bepalen of artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II al dan niet van toepassing is.” Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling van de regering dat art. 5 lid 6 uitsluitend betrekking heeft op kolom 1 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor de door Minderhoud en Stadig beoogde ruime werkingssfeer van de kruimelgevallenlijst, die wij op zichzelf begrijpen lijkt een wijziging van art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor nodig. Met inachtneming van de eisen uit de m.e.r.-richtlijn zou dit artikellid als volgt kunnen worden geredigeerd: “Artikel 4, onderdelen 9 en 11, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage voor zover daarbij sprake is van een geval als bedoeld in kolom 2 van onderdeel C, alsmede op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage in gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

5.         In casu is dus sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. De drempelwaarde in kolom 2 van D-11.2 Besluit m.e.r. wordt niet overschreden. Vanwege art. 2 lid 5 sub b Besluit m.e.r. had er evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling moeten worden verricht. Dat was voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan nagelaten. Althans, een expliciete beoordeling had niet plaatsgevonden. Volgens de gemeenteraad was dat ook niet nodig. In de plantoelichting en de diverse onderzoeksrapporten zou reeds zijn ingegaan op alle relevante milieuaspecten. Daaruit zou volgen dat het bestemmingsplan geen belangrijke gevolgen voor het milieu kan hebben. De Afdeling gaat hier niet in mee. In het dossier ontbreekt een integrale beoordeling van de mogelijke nadelige milieugevolgen in relatie tot de selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Een dergelijke beoordeling is in het kader van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk mede gezien de uit de m.e.r.-richtlijn voortvloeiende eisen. Zie ook ABRvS 15 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:50, JM 2015/40 (luchthavenbesluit Oostwold). Toch toetst de Afdeling niet altijd op deze indringende wijze. De uitspraak Vz. ABRvS 19 maart 2015, nr. 201410175/2/R4 (bestemmingsplan “Dwingelo, partiële herziening brede school” Westerveld) vormt daarvan een illustratie. De voorzieningenrechter van de Afdeling overweegt daarin dat er wellicht sprake is van een vormvrije-m.e.r.-beoordelingsplicht, maar dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat in weerwil van de uitkomsten van de onderzoeken naar de verschillende milieuaspecten die zijn neergelegd in de bestemmingsplantoelichting, er desondanks sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. De voorzieningenrechter had ook aansluiting kunnen (of wellicht moeten) zoeken bij onder meer de onderhavige uitspraak en kunnen concluderen dat er geen beoordeling van de mogelijke milieugevolgen in relatie tot de selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn had plaatsgevonden. Dat enkele gegeven had dan moeten leiden tot het (voorlopig) oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met de m.e.r.-regelgeving is vastgesteld.

6.         Uiteindelijk wordt het vormvrije m.e.r.-beoordelingsgebrek het bestemmingsplan niet fataal. Lopende het beroep is alsnog een m.e.r.-beoordeling verricht waarin is geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen achterwege zullen blijven. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de m.e.r.-beoordeling de toets aan het recht niet kan doorstaan. Dat het vormvrije m.e.r.-beoordelingsgebrek lopende de beroepsprocedure kan worden geheeld, is bestendige jurisprudentie.


Voor een printversie van deze annotatie, klik hier.