Annotatie J. Kevelam en M.A.A. Soppe, ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131; Mer-beoordelingsbeslissing kan na ontwerpbestemmingsplan door B&W of raad
26 oktober 2018

Essentie

Nemen mer-beoordelingsbeslissing moet voorafgaande aan terinzage leggen ontwerpbestemmingsplan; schending is passeerbaar; B&W en raad zijn beide bevoegd om mer-beoordelingsbeslissing voor bestemmingsplan te nemen; verandering bestaand agrarisch gebruik naar vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones worden gehanteerd binnen planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat hiermee in redelijkheid geen rekening hoeft te worden gehouden bij vaststelling bestemmingsplan.

Samenvatting

Niet in geschil is dat voor het plan, dat voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist. De gemeente is de initiatiefnemer van dat project. Het college is bevoegd het (ontwerp)plan voor te bereiden en de raad is bevoegd het plan vast te stellen. De Afdeling overweegt dat onder deze omstandigheden zowel het college als de raad op grond van artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bevoegd waren om het m.e.r.-beoordelingsbesluit als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, te nemen.

De beslissing als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer, inhoudende dat geen MER behoeft te worden gemaakt, is niet genomen voor de terinzagelegging van het ontwerpplan, maar tegelijk met het vaststellen van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling kan deze schending van artikel 7.19, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. [appellant] heeft geen inhoudelijke beroepsgrond over de m.e.r.-beoordeling en het m.e.r.-beoordelingsbesluit naar voren gebracht. Verder acht de Afdeling het niet aannemelijk dat andere belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld, nu behalve [appellant] en [belanghebbende A] en [belanghebbende B], die hun beroep hangende de beroepsprocedure hebben ingetrokken, niemand beroep tegen het besluit tot vaststelling van het plan heeft ingesteld.

Het is planologisch mogelijk dat [appellant] het huidige gebruik van haar gronden voor een veehouderij wijzigt in het telen van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Hierdoor zou alsnog een spuitzone ontstaan. Het plan voorziet op een afstand van ongeveer 20 meter van de gronden van [appellant] in de bouw van woningen. De vraag die ter beoordeling van de Afdeling voorligt is of de raad met die mogelijkheid rekening had moeten houden bij de vaststelling van het plan. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat [appellant] geen enkel concreet voornemen kenbaar heeft gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen. [appellant] heeft ook niet gesteld dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode voorzienbaar is. Ter zitting heeft [appellant] bevestigd dat er geen plannen bestaan om de melkveehouderij geheel of gedeeltelijk om te zetten naar een tuinbouw-, fruitteelt- of boomteeltbedrijf. Gezien de omstandigheden dat hier sprake is van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen plannen kenbaar zijn gemaakt om het veehouderijbedrijf te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen, is verandering van dit bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden (vgl. de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524). Voor zover [appellant] verwijst naar de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868, overweegt de Afdeling dat dit geen vergelijkbare situatie betrof. In die zaak was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds een agrarisch bedrijf aanwezig dat gewassen kweekte waarbij bestrijdingsmiddelen werden gebruikt. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gewezen op het bespuiten van het gras als de graszoden vervangen moeten worden, overweegt de Afdeling dat een dergelijke handeling zodanig incidenteel plaatsvindt dat de raad daar in redelijkheid evenmin rekening mee heeft hoeven houden bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat bij de geplande nieuwe woningen.


Annotatie

Voor de annotatie van J. Kevelam en M.A.A. Soppe, klik hier.

Overige publicaties

Voor onze overige publicaties, klik hier.