Annotatie Nijmeijer en Soppe bij AbRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192; Omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan. Voor toepassing kruimelgevallenregeling is van belang of er sprake is van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Kolom 2 (drempelwaarden) is in dat kader niet relevant; Toetsing relativiteit: art. 5 lid 6 bijlage II Bor is een regel gesteld in het kader van de goede ruimtelijke ordening
15 juni 2017

Essentie

De aangevraagde activiteit (tijdelijke losvoorziening) is een activiteit die is opgenomen in kolom 1 van onderdeel D-2.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zodat reeds daarom de uitzonderingsbepaling van art. 5 onderdeel 6 bijlage II Bor in de weg staat aan toepassing van de kruimelgevallenregeling. Er komt geen betekenis toe aan kolom van onderdeel D-2.1.

Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor, in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, is een regel die is gesteld in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Dit is van belang voor de toetsing aan het relativiteitsvereiste.

Samenvatting

De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de aangevraagde activiteit een activiteit is die is opgenomen in D 2.1 van het Besluit milieueffectrapportage, zodat de uitzonderingsbepaling in artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor aan toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo in de weg staat.

Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor, in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, is een regel die is gesteld in het kader van de goede ruimtelijke ordening. In de afweging van hetgeen een goede ruimtelijke ordening in dit geval inhoudt komen niet alleen milieubelangen aan de orde, maar ook de belangen van het behouden en herstellen van een uit ruimtelijk oogpunt goed woon-, werk- en ondernemersklimaat. Vergelijk de uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106. De door (appellant) en andere aangevoerde belangen, waaronder de vrees voor verkeerscongestie, zijn ruimtelijke belangen. De Afdeling is daarom van oordeel dat artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor mede de strekking heeft de door (appellant) en andere genoemde belangen te beschermen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet op voorhand is uitgesloten dat het realiseren van een tijdelijke losvoorziening op het perceel ten behoeve van het bouwrijp maken van de Bloemendalerpolder zal leiden tot een minder goed ondernemersklimaat, door bijvoorbeeld verkeerscongestie als gevolg van de zandtransporten. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit van 14 januari 2016 in de weg staat.

Annotatie

Voor de annotatie van A.G.A. Nijmeijer en M.A.A. Soppe, klik hier.

Overige publicaties

Voor onze overige publicaties, klik hier.